Ik heb zojuist de biografie afgerond van de astrofysicus, didacticus en flamingant Marcel Minnaert. Eind april 2003 is die bij uitgever Balans verschenen onder de titel De Rok van het Universum.
Voor de Universiteit van Utrecht schreef ik eerder een vingeroefening: "Marcel Minnaert
(1893-1970): Een leven lang leraar." Die mooi geïllustreerde brochure (48 pagina's) verscheen op 5 maart 1998 ter
gelegenheid van de opening van het Minnaertgebouw. Meer bijzonderheden van dat gebouw vindt u op
www.fys.ruu.nl/~minnaert. Gedurende het cursusjaar 2000-2001 werd ik door de Nederlandse
organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) vrijgesteld van mijn leraarsbaan, zodat ik me volledig op dit
werk kon concentreren.
Om U een idee te geven van de vraagstellingen voor de biografie laat ik hierna enkele passages volgen uit
de 'wetenschappelijk' gemotiveerde subsidie-aanvrage bij NWO (1) en vervolgens uit de persoonlijk gemotiveerde aanvrage (2)
bij het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (BJP). Beide aanvragen werden inmiddels gehonoreerd. Samen geven ze
een overzicht van mijn projecten voor de komende vijf jaar: de Minnaertbiografie en een publicatie over de Bond van
Wetenschappelijke Arbeiders (BWA). In de tekst verwijs ik naar artikelen die ik over Minnaert schreef, en die worden
verantwoord bij Reacties, recensies en literatuurverwijzingen.
Vanaf april 2000 heb ik 2 jaar lang kunnen profiteren van een werkplek op het instituut voor Theoretische Fysica, Centrum voor
Wetenschapsgeschiedenis, van de Universiteit van Amsterdam (www.science.uva.nl/research/itf).
Mijn onderzoek ten behoeve van de biografie maakte toen deel uit van het onderzoeksprogramma van prof. dr A.J.Kox (www.science.uva.nl/~kox)
inzake de geschiedenis van de eigentijdse fysica.
Het boek is op 23 april 2003 gepresenteerd in het Minnaertgebouw.
U kunt van het boek de Inhoudsopgave (3), de Proloog (4) en de slotparagraaf over Literatuur en websites over Minnaert (5) inzien. Op 10 oktober 2002 verzorgde ik voor het genootschap Gewina een inleiding over de plaats van Wetenschap en oorlog, het symposiumthema, in het leven van Minnaert. Dat artikel, dat vooruitliep op de biografie, kunt U eveneens inzien (6).
Bij Recensies, reacties en literatuurverwijzingen kunt U in drie overzichten (het mij bekende deel van) de oogst van besprekingen en reacties bekijken (7).
1. Uit de aanvrage bij NWO:
De NWO-aanvrage vermeldt als doelstelling: "het analyseren van de wisselwerking tussen de wetenschappelijke loopbaan en
de maatschappelijke activiteiten van de astrofysicus M.G.J. Minnaert".
Na de toekenning van de subsidie op 20 december 1999 trad een begeleidingsgroep in werking onder leiding
van prof. dr A.J. Kox , wetenschapshistoricus aan de Universiteit van Amsterdam. De groep bestaat voorts uit
prof. dr E.P.J. van den Heuvel (astronoom; UvA), prof. dr A.E. Kersten (historicus, RUL, tijdelijk RIOD),
prof. dr M. Kuperus (astronoom; RUU) en prof. dr P. de Rooy (historicus, UvA).
a.
Uitwerking van de doelstelling van het onderzoek.
In 1914 promoveerde de bioloog Marcel Minnaert te Gent cum laude bij J. MacLeod op een proefschrift over de
invloed van zonlicht op de bouw en de groeirichting van dennennaalden. Kort daarop brak de Eerste Wereldoorlog uit. In
die oorlog speelde hij een hoofdrol in het Vlaamse 'activisme': een beweging, die gebruik wilde maken van de Duitse
bezetting om de doeleinden van de Vlaamsgezinden te realiseren. Minnaert propageerde de vernederlandsing van de Gentse
Hogeschool, en werd na een korte leerperiode (1915-1916) in het Leiden van Ehrenfest en Lorentz docent in de fysica aan
de door de Duitse bezettingsmacht ingestelde 'Vlaamse Hoogeschool'(1916-1918).
Eind 1918 vluchtte Minnaert naar Nederland, en werd hij assistent op het Heliofysisch Instituut van de
Utrechtse Universiteit. Hij werkte onder leiding van de zonnefysicus W.H. Julius. In 1925 promoveerde hij in de fysica, opnieuw
cum laude, bij Julius en L.S. Ornstein. Hij nam deel aan de pioniersjaren van het vak 'astrofysica', waarin 'Utrecht' over twee
troeven beschikte: een grote zonnetelescoop met spectrograaf en een zelfregistrerende microfotometer, een Utrechtse
vinding. Onder leiding van Minnaert ontwikkelde het Instituut zich tot een internationaal centrum van spectrofotometrisch
zonneonderzoek. Minnaert introduceerde het begrip 'equivalente breedte' als kwantitatieve maat voor de hoeveelheid licht
die door een Fraunhoferlijn uit het zonnespectrum wordt geabsorbeerd. Hij stelde de biologische term 'groeikromme' voor, die
het verband geeft tussen het aantal atomen van bepaalde elementen en deze 'equivalente breedte'. Deze veralgemeningen maakten
een eerste berekening mogelijk van de samenstelling van de materie in zon en sterren, en ze vestigden tussen 1928 en 1932
Minnaerts wereldwijde reputatie.
Zijn voortgezette politieke activiteit voor de emancipatie van Vlaanderen leidde in 1936 tot een schorsing. Dat gebeurde na
een in de landelijke pers druk besproken Vlaamse manifestatie in Lage Vuursche, waar Minnaert als antwoord op de fascistengroet
de socialistische vuist had geheven. Op dat kritieke moment werd hij tot hoogleraar benoemd aan de Universiteit van Chicago, die
indertijd de wereldtop aan astronomen aan zich wilde binden. Een door Ornstein ingezette reddingsoperatie eindigde met de
benoeming van Minnaert tot buitengewoon hoogleraar. In 1937 werd hij als opvolger van A.A. Nijland gewoon hoogleraar
sterrenkunde en directeur van de Utrechtse Sterrenwacht. Hij moderniseerde die ingrijpend en gaf daar het zonneonderzoek een
centrale plaats. Bij zijn aantreden werd de zonnespectrograaf van het Fysisch Laboratorium verplaatst naar de Sterrenwacht.
Tussen 1937 en 1940 kwam onder Minnaerts leiding de Photometric Atlas of the Solar Spectrum gereed, die twintig jaar lang de
basis bleef voor het onderzoek naar de samenstelling van zon en sterren. Voor dit werk kreeg hij in 1951 de Bruce Medal; de hoogste
internationale prijs voor astronomen.
In de oorlog werd Minnaert, na diens eerbetoon bij de dood van zijn joodse leermeester Ornstein in het Utrechtse
Faculteitenblad van mei 1941, twee jaar gegijzeld in Sint Michielsgestel. Hij leidde daar met R. Baelde het vormings- en
ontspanningswerk van de gijzelaars. Na 1945 trad Minnaert op als pleitbezorger van het fundamenteel wetenschappelijk
onderzoek. In 1946 werd hij lid van de KNAW. Onder zijn voorzitterschap besloot het Verbond van Wetenschappelijke
Onderzoekers het eerste congres (1947) te wijden aan de Stichting voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek in oprichting.
De astronomen Minnaert en Oort richtten in samenspraak met J.H. Bannier, oud-leerling van Minnaert en eerste directeur van
het latere ZWO, de Stichting Radiostraling Zon en Melkweg (1948) op, een ZWO-stichting avant la lettre. Ook was Minnaert
vijftien jaar secretaris van de KNAW-commissie die de Selected Works van Simon Stevin uitgaf. Zijn naoorlogse wetenschappelijke
activiteit verschoof geleidelijk naar het begeleiden van zijn promovendi. Zijn wetenschappelijke werk bestond in die
jaren vooral uit samenvattende, historiserende en compilerende bijdragen, hoewel hij ook eigen onderzoek bleef verrichten, en
wel in het bijzonder aan de Maan.
Minnaert was van mening dat zijn werk als onderzoeker en docent onscheidbaar was van het inleiden in de methodiek en didactiek
van de natuurwetenschappen èn van het propageren van de wetenschappelijke denkwijze. Vandaar:
- de grote waarde die hij toekende aan de opleiding van didactisch geschoolde leraren in de natuurwetenschappen. Zijn eerste
publicatie in dezen was bestemd voor de onderwijzers aan de basisschool: 'Natuurkunde in leerlingenproeven'(1924). Hij was in
Nederland naast Ph. Kohnstamm de pionier op het gebied van de didactiek der natuurwetenschappen.
- de nadruk die hij legde op de wisselwerking tussen natuurbeleving, observatievermogen, esthetiek en wetenschap.
Tussen 1936 en 1940 zette hij zijn visie uiteen in De Natuurkunde van 't Vrije Veld: in dit driedelige magnum opus
toonde hij dat het begrijpen van de fenomenen uit de natuur om ons heen (regenboog, ijsbloemen op de ramen, blauwe lucht)
de esthetische en culturele beleving van de natuur intensiveert,
- de inzet die hij van professionals verwachtte voor het uitdragen van wetenschap en de steun aan amateurs. Minnaert was
de 'vader' van de popularisering van sterrenkunde en natuurkunde in ons land. Hij wees het verzoek af om de eerste
volkssterrenwacht 'Minnaert' te noemen, en stelde in plaats daarvan de naam van zijn lotgenoot, de Vlaamse
balling "Simon Stevin' voor.
Het doel van het onderzoek is het schrijven van een biografie van het leven en werk van deze eminente wetenschapsman.
De grote betekenis van Minnaerts wetenschappelijke productie op de ontwikkeling van zijn vakgebied is kernachtig samengevat
in de rede van de Franse astronoom J.-C. Pecker ter gelegenheid van de toekenning van het eredoctoraat van de Universiteit
van Nice (1970): "Minnaert wist op het moment dat dat nodig was het zonneonderzoek twee fundamentele gereedschappen ter hand
te stellen: spectra die goed genoeg waren om kwantitatief bruikbaar te zijn, en een theorie die voldoende uitgewerkt was om
een kwantitatieve betekenis te hebben en te kunnen dienen als interpretatiekader voor de spectra. Indertijd waren er drie
mensen in de wereld die hebben gefundeerd wat de kwantitatieve analyse van het heelal zou gaan uitmaken, drie mannen die de
zon in hun reageerbuis hebben gedaan: Russell in de VS, Unsöld in Duitsland en Minnaert in Utrecht. Ten opzichte van de
beide anderen karakteriseert het werk van Minnaert zich door zijn praktische gerichtheid, door het gemak waarmee het
toegepast kon worden en nochtans voldoende wetenschappelijke houvast bood. Unsöld was misschien het strengst
wetenschappelijk, Russell het meest algemeen, maar het was waarschijnlijk Minnaert die, meer dan de twee anderen, de weg
opende naar wat heden die wezenlijke tak van de astrofysica is geworden."
b.
Probleemstellingen aan de hand waarvan het project zal worden uitgevoerd.
In Minnaerts opvatting waren wetenschappelijke, didactische en maatschappelijke vraagstukken verstrengeld.
In die combinatie lag mede zijn kracht en uitstraling, en vandaar dat die verstrengeling de specifieke invalshoek
voor de studie van de uitvoerder zal moeten zijn.
Enkele probleemstellingen:
1. Minnaert stond kennelijk op een cruciaal moment op het kruispunt van ontwikkelingen in de astronomie (modellen
van zon en sterren) èn de fysica (spectrofotometrie). Hoe valt het wetenschapshistorisch te verklaren dat hij een verbindende
schakel kon zijn in beide ontwikkelingen, en dat hij een 'funding father' kon worden van de moderne astrofysica?
2. Hoe kan een gevluchte Vlaming die in 1936 wordt geschorst op grond van ongewenste politieke activiteiten, toch hoogleraar
worden? Ook zijn snelle benoeming in 1919 wekt verbazing. Benoemingen van buitenlanders, zeker zij die zoals Minnaert in
eigen land tot 15 jaar gevangenisstraf zouden worden veroordeeld, waren geen usance. Bovendien werd het politiek activisme
van uiterst links en rechts in het Interbellum bestreden door de overheid en de besturen van de universiteiten. Wat waren
de bijzondere kwaliteiten van deze Minnaert dat hij hierop een dubbele uitzondering kon vormen?
3. Minnaert vond dat hij als wetenschapsman 'voorbeeldige' sociaal-politieke keuzen moest maken. Die opvatting verklaarde
zijn activiteiten in de jaren veertig en vijftig voor het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers, dat de eigen bijdrage
van wetenschapsmensen in de politieke arena moest verzekeren. Hij betoonde zich een fervent atoompacifist. Zijn standpunten
op het gebied van 'Wetenschap en Samenleving' leidden steeds tot debat in wetenschappelijke kring.
Zijn 'materialistische' filosofie in zijn rede voor het forum van de KNAW over 'De Eenheid van het Heelal' (1963)
wekte opschudding. Hoe kon iemand die een pioniersrol vervulde in de astrofysica maatschappelijk zó actief blijven? Hoe
deed hij dat, en waarom? Hoe werd dat opgevat door een universiteit, die daarvan grosso modo weinig wilde weten? Hoe is het
mogelijk dat Minnaert op het hoogtepunt van zijn wetenschappelijke carrière naast zijn politieke activiteiten een magnum
opus zoals De Natuurkunde van 't Vrije Veld kon schrijven?
Wat bezielde hem dat hij zijn wetenschappelijke carrière zo hecht verbond met maatschappelijke vraagstukken en activiteiten?
In hoeverre was die sociale activiteit voor hem een integraal deel van zijn wetenschappelijke roeping? En ook: zien we in zijn
wetenschappelijke werk opvattingen terug die zijn ontleend aan maatschappelijke stellingnamen?
4. Hoe is het te begrijpen dat hij zich van 'rechts' flamingant tijdens WO I ontwikkelt tot 'links' socialist aan de
vooravond van WO II? Hoe valt deze ontwikkeling van Vlaams activist tot antifascist en communist, die bij de meeste personen
omgekeerd verliep, psychologisch te verklaren?
5. Op welke wijze waren in Minnaerts denken diens filosofisch materialisme en de verwerping van de 'vrije wil', diens
socialistisch-pacifistische opvattingen en diens verering van de wetenschap (pyscho)logisch verbonden? Veel
natuurwetenschapsmensen voelden zich indertijd aangetrokken tot socialisme en communisme, omdat deze maatschappelijke
systemen een grotere rol leken toe te kennen aan de wetenschap en haar beoefenaren dan het kapitalistische stelsel. Getuige
bijvoorbeeld het klassieke werk van Minnaerts vriend Desmond Bernal: 'The Social Function of Science' (1939). Zijn deze
opvattingen kenmerkend voor een groep natuurwetenschapsmensen, die zich, eenmaal bekleed met de hoogste wetenschappelijke
waardigheid, in politicis van geen amateurisme en hybris bewust zijn?
c.
Wetenschappelijk en maatschappelijk belang van het onderzoek.
Aspecten zijn:
- de astrofysica staat thans in het hart van de sterrenkundige belangstelling . In deze geschiedschrijving staan we aan
haar wieg. Ook in de zin dat Minnaert vooraanstaande astronomen van de Nederlandse 'school' opleidde (Van de Hulst, De
Jager, Van den Heuvel, Kuperus).
- de hoogleraar-opleider, die mede een 'school' vormt door voorbeeldig gedrag en expliciete overdracht van normen en
waarden.
- de grote inzet voor de bètadidactiek, zijn opvattingen over het opleiden van leraren die bezeten dienen te zijn van
het uitdragen van moderne natuurwetenschap.
- de betrokkenheid bij vraagstukken van wetenschap, ethiek en samenleving.
- transfer naar onderwijs in de geschiedenis, de natuurkunde en het nieuwe vak ANW.
Recent is de aantrekkingskracht van de bètawetenschappen sterk aan het verminderen. Als geen ander heeft Minnaert
gepleit voor een centrale culturele rol van de natuurwetenschap. In zijn epos 'De Natuurkunde van 't Vrije Veld'
smeedt hij een hechte band tussen natuurverschijnselen, wetenschap, esthetiek en kunst. De recente erosie van dit
huwelijk zou een deel van een verklaring kunnen bieden voor de afname van de belangstelling voor natuurwetenschap
bij de jeugd. Bovendien pleitte hij met niet aflatende ijver voor de hoogst mogelijke scholing en status van de
toekomstige leraar in de natuurwetenschappen. De biografie van Minnaert kan de discussie over de culturele plaats
van de natuurwetenschappen in de samenleving stimuleren.
De betekenis van Minnaert voor de ontwikkeling van de astrofysica, het natuurkundeonderwijs en de popularisering van
de natuurwetenschappen komt naar voren in vernoemingen zoals de tweejaarlijkse 'Minnaert-prijs' voor de natuurkundedidactiek
en ook het 'Minnaertgebouw' (1998) van de RUU voor het onderwijs en onderzoek in de natuurwetenschap. Dat zijn toewijding aan
de Vlaamse zaak evenmin vergeten is, blijkt wel uit de door particulieren ingestelde jaarlijkse 'Minnaert-prijs' voor
vooraanstaande bijdragen van jeugdige auteurs aan de culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen.
In Nederland is de biografie van natuurwetenschapsmensen een bijna onontgonnen terrein. Van de kleine honderd
biografieprojecten die thans in de boezem van de 'Werkgroep Biografie' van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
worden ontwikkeld, zijn er twee gewijd aan een natuurwetenschappelijk onderzoeker: naast Minnaert dat over Hugo de Vries.
d.
Voorgeschiedenis en wetenschappelijk kader.
De uitvoerder kwam Minnaert tegen bij zijn studie (1988-1994) van het maatschappelijk geëngageerde Verbond van
Wetenschappelijke Onderzoekers, waarvan Minnaert enkele jaren voorzitter was (1947-1950). Hij wijdde aan Minnaert
één van de tien biografische schetsen in zijn dissertatie. Hij werkte dat uit in publicaties voor Natuur&Techniek (1993)
en Zenit (1993) naar aanleiding van diens honderdste geboortedag.
In 1998 schreef hij in opdracht van de Universiteit van Utrecht een boekje bij de opening van het
Minnaertgebouw ("Marcel Minnaert: Een leven lang leraar"): daarin staan onder meer 14 korte interviews met
Minnaerts promovendi. Ook putte hij uit een dagboek van duizend geschreven pagina's dat de ouders bijhielden (1893-1916).
e.
Programmatische inbedding.
Het Instituut voor Theoretische Fysica van de Universiteit van Amsterdam houdt zich middels de leerstoel van Kox en
het ermee verbonden 'Centrum voor Wetenschapsgeschiedenis' bezig met de geschiedenis van de moderne natuurkunde. Daarin
hoort dit biografieproject thuis. Voor de periode van de NWO-subsidie krijgt 'uitvoerder' Molenaar daar een werkplek.
f.
Indeling.
De uitvoerder brengt in de biografie een driedeling aan:
Deel 1. De periode tussen 1893 en 1918: de socialisering in een welgesteld, Vlaams milieu, de inwijding in de wetenschap
en de Vlaamse beweging, het fanatieke activisme en de vlucht uit Gent. De jonge onderzoeker beschikt thuis over een
chemisch en elektrotechnisch laboratorium. Zin 'activisme' in de Eerste Wereldoorlog verdrijft hem uit Vlaanderen. Hij
schrijft tal van artikelen in scholieren-, studenten- en activistische bladen en twee boeken: zijn dissertatie en zijn
politieke rechtvaardiging voor de samenwerking met Duitsland.
Deel 2. De periode tussen 1918 en 1945: een explosie van wetenschappelijke activiteit en creativiteit. Het oppakken van de
astronomie, het aansluiten bij de wereldtop en het verwerven van een erkende positie erbinnen. In 1940 verschijnt The
Photometric Atlas of the Solar Spectrum. Hij schrijft De Natuurkunde van 't Vrije Veld (1936-1940). De Tweede Wereldoorlog
knakt deze frenetieke ontwikkeling met twee jaar gijzeling in Sint Michielsgestel.
Deel 3. De periode tussen 1945 en 1970: Minnaert wordt meer organisator en
begeleider van een 'school' van zonne- en astrofysici. Hij neemt taken op zich in het verband
van KNAW, IAU, ZWO, VWO, WVO, enz. Hij blijft tot zijn dood bezig met de ontwikkeling van zijn vakgebied, mede via de
begeleiding van afstudeerders en promovendi, en via de IAU. Hij is actief op historisch en journalistiek gebied, verslaat
de maanlanding voor de media, trekt filosofische 'conclusies' uit de vorderingen van de astrofysica die
zijn 'materialistische' standpunt onderstrepen.
Deze driedeling geeft houvast aan een werkprogramma dat loopt van 1 augustus 1999 tot 31 juli 2001.
2.
Gedeelten uit een subsidie-aanvrage bij het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (BJP):
Een biografie van Marcel Minnaert.
De keuze voor een biografie van Minnaert vloeit voort uit mijn dissertatie. Die ging over het Verbond van Wetenschappelijke
Onderzoekers (1946-1980). Minnaert was voorzitter van dat VWO op het moment dat de Koude Oorlog uitbrak. Ik besloot in de
eindfase van het proefschrift tot twee aanvullende publicaties.
De intellectuelen van de eerste golf van dit VWO boeiden me. Ik wilde met één van hen deze eeuw doorlopen, en in
retrospectief hun 'progressieve' stellingnamen doorlichten. Dat moest me confronteren met de argumenten van een Nederlandse
vertegenwoordiger van de linkse, natuurwetenschappelijke intelligentsia, dus met een vriend en geestverwant van mensen
zoals J. Desmond Bernal, Julian Huxley, Jan Burgers en Irène Curie. In het slothoofdstuk van mijn proefschrift had ik
bij 'hun' wereldbeeld kanttekeningen geplaatst. Ook had ik de hoofdstukken van mijn dissertatie laten uitlopen op
biografische schetsen van 'prototypes' uit de behandelde perioden. De Vlaamse Nederlander Minnaert was één van hen.
Hij leek me de boeiendste figuur voor een biografie. Een man met de priesterlijke opvatting van wetenschap, die zo
kenmerkend was voor velen van zijn generatie uit het Interbellum.
Daarnaast wilde ik een boek schrijven over de organisatie van jonge intellectuelen waarmee 'mijn' VWO eind jaren
zeventig fuseerde: de Bond voor Wetenschappelijke Arbeiders. Weer moest het gaan om reflectie op standpunten en
beweegredenen van individueel en collectief engagement. Ik verzamel thans archieven en ik leg de nodige contacten. De
drie boeken moesten samen een 'niche' vormen in het historische domein: een bron die ik in mijn latere werk vanuit een
cultuurhistorische invalshoek zou kunnen exploiteren.
Na mijn promotie (1994) redigeerde ik twee boeken voor het Erasmiaans Gymnasium waar ik docent scheikunde ben (1995; 1999). In
het recente boek over de cultuurhistoricus Reindert Jacobsen, een belangwekkende oud-collega, schreef ik twee biografische
schetsen. Ook schreef ik een jaar lang aan een nieuwe tekst van de CD-ROM 'Chemie en Samenleving' die collega's moet inspireren
bij het vanuit de geschiedenis vormgeven aan het nieuwe vak 'Algemene Natuurwetenschappen' op het Voorbereidend Wetenschappelijk
Onderwijs.
Ik zette tevens de voorbereiding op de Minnaertstudie voort, en haakte in op het besluit van het Utrechtse College van Bestuur
om een nieuw gebouw voor natuurwetenschappelijk onderzoek en onderwijs naar Minnaert te vernoemen. De bouwheer gaf een
ruimhartige opdracht voor een brochure (1996-1998), die mij de gelegenheid bood het werkterrein te verkennen.
Vondsten:
Bij die exploratie deed ik inzichten op, die de eerdere opzet in belangrijke mate wijzigden. Ik geef de
belangrijkste 'vondsten' hier weer:
De eerste betreft de kennis van de persoon van Minnaert. Op bezoek bij diens jongste zoon Boudewijn in Sydney
legde die me een stapeltje dagboeken voor van zijn grootouders. Marcels vader begon bij de geboorte van het enige
kind een notitieboek, gewijd aan en tevens bestemd voor Marcel. Na zijn vroege dood nam de moeder dat schrijfwerk
over. Er zijn duizend geschreven pagina's beschikbaar die licht werpen op de wisselwerking tussen de Vlaamse opvoeders
en de opgevoede. Twee beroepspedagogen wijdden hun professionele aandacht aan hun oogappel. Zij gaven veel, maar eisten
niet minder. Vooral de gefrustreerde vader, gemankeerd medicus, wierp zich op de intellectuele ontwikkeling van het kind, en
schrok soms van het verbluffende resultaat. De dagboeken beschrijven de vorming van het karakter van de jonge Marcel. Toen
de vader stierf, schreef hij in een verplichtend 'Testament' de jongen diens levensloop voor.
De moeder nam het iets lichter, en ging veel op reis met haar geliefde zoon. Zo bezochten ze samen Der Ring in Bayreuth, en
begeleidde Marcel op de piano fragmenten ervan bij zijn lezingen voor de Gentse culturele elite. De jongen werd overvoerd met
cultuur en wetenschap, en bleek als puber overgevoelig te zijn voor de onderdrukking van de Nederlandse taal en cultuur. Hij
ontpopte zich, in dezen aangevuurd door docenten, tot een fanatiek flamingant voor wie in 1914 de vrijmaking van Vlaanderen
zwaarder telde dan de Duitse verovering van de 'verdrukkersstaat' België. De moeder volgde hem in die stellingname.
Toen zoon en moeder Minnaert eind 1918 naar Nederland vluchtten om de franskiljonse furie te ontlopen, had de 25-jarige
Marcel naast zijn dissertatie al tientallen artikelen en lezingen op naam. De onderwerpen variëren van Beethoven tot de
Scandinavische talen, van de inwerking van het licht op de plantengroei tot de noodzaak van de stichting van een Vlaamse
Hogeschool.
De 'gouden' notitieboeken, waaruit de biograaf in principe kan citeren, kunnen bijdragen tot de scherpte van de
sociaal-psychologische tekening van het karakter van de hoofdpersoon.
Een tweede vondst heeft te maken met de rol van Minnaert in het Vlaamse 'activisme' tijdens de Eerste Wereldoorlog. Die
blijkt belangrijker te zijn dan ik had vermoed. De Gentse stroming van Minnaert, de 'Jong Vlamingen', behoort tot de meest
geruchtmakende: in studies zoals Het Aktivistisch Avontuur (1991) van de historicus-germanist D. Vanacker is Minnaert geen
secondant maar een hoofdrolspeler. Minnaert beargumenteerde zijn 'activisme' in een omvangrijke oratio pro domo: De
verdeeling van den arbeid en het nationaliteitenbeginsel (1916). Ik zal me diepgaand bezighouden met de Vlaamse beweging,
en beschouw dat als een stimulerende uitdaging.
De derde vondst heeft betrekking op het wetenschappelijke werk. Ik kende 'Minnaert' al van de drie delen van diens De
Natuurkunde van 't Vrije Veld, die ik bij de heruitgave van rond 1970 zelf had aangeschaft. De biografische schets in
mijn dissertatie maakte gewag van zijn uitnemendheid als astronoom, en als popularisator van de natuurwetenschap. Uit het
archiefmateriaal en de interviews blijkt echter dat hij een pionier was van de astrofysica, en al in de jaren dertig één
van de vooraanstaande leden van de International Astronomic Union. Vooral in de periode tussen 1928 en 1940 deed hij
baanbrekend onderzoek. De biograaf moet daarom zowel op de inhoud van zijn werk als op enkele wetenschapshistorische
vraagstellingen ingaan.
In de oorspronkelijke opzet had ik Minnaert eenvoudig gekozen als voorbeeld van 'een' vooraanstaand (Groot-)Nederlands
wetenschapsman, wiens maatschappelijk engagement primair een biografie rechtvaardigde. Nu blijkt hij niet slechts prominent
aanwezig in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging maar tevens, als een van de schaarse Nederlanders, in de Encyclopedia
Brittannica, en is 'Minnaert' niet slechts een in 1996 heruitgegeven trilogie maar ook een meteoriet en een krater op de
achterkant van de maan.
Tenslotte deed ik een vierde ontdekking. Die is heel aangenaam, althans voor iemand als ik die dertig jaar lesgeeft in de
natuurwetenschap en affiniteit heeft met het leraarschap in het algemeen. Minnaert heeft zich intensief beziggehouden met
de opvoedkundige aspecten van de natuurwetenschappen en met de inrichting van de leraarsopleiding aan de universiteiten. Hij
maakte deel uit van de ontluikende beweging tot vernieuwing van het onderwijs, voelde zich al tijdens WO I betrokken bij het
werk van Ellen Key, Jan Ligthart en Tatiana Afanasjeva, en streed na WO II samen met H. Freudenthal voor een aantrekkelijker
aanpak van het onderricht in de wis-, natuur- en sterrenkunde.
Deze persoonlijke 'ontdekkingen' staan al vermeld in de Utrechtse brochure. De figuur van Minnaert is veelzijdiger en
gecompliceerder dan ik me had voorgesteld toen ik vanuit mijn persoonlijke beweegredenen op zijn persoon stuitte.
Als mens, als flamingant, als wetenschapsman en als didacticus is hij voor mij een buitengewoon boeiende figuur geworden.
Hij kan niet als sjabloon dienen voor mijn vooropgezette ideeën, maar hij moet als unieke persoonlijkheid tot zijn recht
komen. Hij verdient geen biografie omdat hij het beste in mijn schema past, maar hij is uit eigen verdiensten een
belangwekkende persoonlijkheid.
Driedeling:
Ik bracht vervolgens een natuurlijke' driedeling aan in de opzet van de biografie: het eerste deel betreft zijn opvoeding en
werk in Vlaanderen (WO I als breuk: 25 jaar), het tweede deel zijn ontwikkeling tot astrofysicus, popularisator en propagandist
van natuurwetenschap (WO II als breuk: 52 jaar) en het derde deel gaat vooral over zijn dubbele rol van opleider èn sociaal
bewogen geleerde (zijn dood: 77 jaar). Het Leitmotiv is Minnaert. Dat moet dan ook worden 'neergezet' in het
eerste, Vlaamse deel. (…..)
Bovenstaande regels maken duidelijk waar de idee voor de biografie vandaan komt, hoe die is geëvolueerd en hoe ik te
werk denk te gaan. Mijn boek is bestemd voor een 'breed publiek', als ik dit eufemisme voor enkele duizenden beoogde
kopers mag hanteren. Een 'opzet', zoals ten behoeve van NWO, met enkele relevante vraagstellingen hebt U al gezien.
De 'opzet' op de manier van de Utrechtse brochure kunt U doorbladeren. Over 'Vlaanderen', het eerste deel, heb ik
reeds duizenden pagina's aan primaire en secundaire bronnen die in de Utrechtse brochure in drie
badzijden zijn geperst. Het boek verschaft hier een 150 pagina's tekst, die nodig zijn als de Nederlands-Vlaamse
lezers willen snappen in welke, voor hen vaak onvoorstelbare, cultureel-politieke context zij het Vlaanderen tussen
1893 tot 1918 moeten plaatsen. In de volgende delen spelen onder meer de wetenschapshistorische context van het
Interbellum en de sociaal-politieke constellatie van na 1945.