Opzet voor een biografie van Marcus Bakker (1923-2009)
Deze opzet voor een biografie geeft bezoekers van deze website een beeld van dit project, waarop ze kunnen reageren. Ik besloot een aantal jaren geleden om deze biografie te schrijven als ik er de tijd voor had, en dat moment is nu aangebroken.
Ik heb in de afgelopen jaren eens per maand met Marcus Bakker gesproken over zijn jeugd, over de beweegredenen van zijn optreden en over tal van politieke onderwerpen. Daaraan kwam in de afgelopen herfst jammer genoeg een einde: op 24 december 2009 is hij overleden. Zijn dood riep een overweldigende belangstelling op, zowel in de media als op zijn crematie. De Tweede Kamer heeft hem op 12 januari 2010 herdacht, in aanwezigheid van zijn vrouw Els Bakker-Ezerman, zijn kinderen en kleinkinderen, met toespraken van Kamervoorzitter Gerdi Verbeet en van vicepremier Wouter Bos.
Neem contact op:
Heeft U teksten of beelden over Bakker waarvan u denkt dat de biograaf die zou moeten kennen, of vindt u dat wat u weet bij mij bekend zou moeten zijn, laat het me dan weten. Ik neem dan persoonlijk contact met u op.
Inhoudsopgave opzet biografie 3. Enkele probleemstellingen die bij het schrijven nadere analyse vergen 4. De biograaf, en zijn begeleiding |
|
- Doelstelling:
Begin 1957 legde Marcus Bakker, Kamerlid voor de Communistische Partij van Nederland (CPN), de eed af op de grondwet. Als hoofdredacteur van het dagblad ‘De Waarheid’ had hij opzienbarende commentaren gegeven op de watersnoodramp, op de crisis rond koningin Juliana of de opstand in Hongarije. De Tweede Kamer stroomde leeg.
Bij zijn afscheid in 1982 onderbrak het kabinet Den Uyl-Van Agt zijn werk om de bewindslieden de gelegenheid te geven Bakker de hand te drukken. In 1991 stelde een Kamercommissie, onder leiding van Annemarie Jorritsma (VVD), voor om een vergaderzaal in het gebouwencomplex van de Tweede Kamer naar Marcus Bakker te noemen. Hij kwam daardoor in het gezelschap van Thorbecke, Groen van Prinsterer, Troelstra, Oud, Aletta Jacobs en Marga Klompé.
Hoe was deze omslag mogelijk? Wat waren de verdiensten van deze parlementariër? Hoe slaagde hij erin om in die kwart eeuw de afkeuring van zijn persoon om te zetten in respect en bewondering?
Het opheffen van het verbod op propaganda van de CPN, begin jaren zestig, viel samen met de noviteit van het uitzenden van Kamerdebatten over de televisie, waardoor burgers zich een mening konden vormen over de debatten tussen regering en parlement. Bakker toonde zich onovertroffen in het debat, en wist door zijn optreden meer belangstelling te wekken voor het parlement.
Vragen die daarbij aan de orde komen zijn of de communist Bakker een brug sloeg tussen de bevolking en haar vertegenwoordiging, welke opvattingen over democratie hij erop nahield en hoe zijn partij daar tegenover stond en over welke bijzondere kwaliteiten hij beschikte.
Ik wil het leven en het werk van Marcus Bakker beschrijven en beide op elkaar betrekken, en ik zal de wisselwerking tussen diens politieke opvattingen, persoonlijke drijfveren, omgeving en de partijcultuur van de CPN analyseren tegen de achtergrond van de relevante politieke en culturele ontwikkelingen in de twintigste eeuw.
- Een opzet van een biografie:
Ik wil Bakkers leven en werk indelen in vier perioden. Die vier ‘delen’ moeten hun beslag krijgen in een structuur van hoofdstukken.
a. Van beoogd Neerlandicus tot verzetsman (1923-1944):
Marcus Bakker is geboren in het rode Zaandam op 20 juni 1923, met een bestuurder van NVV en SDAP als vader en een leesgrage, humoristische huisvrouw als moeder. Op de HBS-B van Het Zaanlands Lyceum werd hij actief in de geheelonthoudersjeugd van de NBAS en redigeerde hij het afdelingsblad ‘Accoorden’. Hij correspondeerde intensief met vriendinnen en vrienden, en kreeg relaties die een leven lang duurden. Na zijn diploma (1941) deed hij staatsexamen Latijn en Grieks (1943), omdat hij Nederlands wilde studeren. Zijn helden waren Du Perron, vooral diens polemieken vond hij schitterend, Marsman en Ter Braak. De oorlog en zijn weigering de Ariërverklaring te tekenen maakten die studiekeuze onuitvoerbaar.
1943 was een omslagjaar. Hij werd toen lid van de illegale CPN, waardoor zijn sociale omgeving drastisch veranderde. Het was het jaar waarin hij in de NBAS zijn levenspartner Els Ezerman vond. Hij keerde zich in het literair-culturele ‘Zaans Groen’ tegen een ‘defensieve poëzie’, die wegliep voor de noodzakelijke strijd (1944). Hij pleitte in ‘De Waarheid’ voor een ‘algemene’ jeugdbeweging, die uit de verstarde kaders van socialisme en communisme moest breken.
b. De rechtlijnige politicus (1945-1958):
Marcus Bakker trouwde in 1946 met Els Ezerman, dochter van de acteur Lau Ezerman, en kleindochter van de flamboyante vakbondsman en SDAP-coryfee Jan van Zutphen. Hoewel partijlid meed zij de vergaderingen en de partijpublicaties, en wilde zij niet op vakantie naar Oost-Europa. Ze kregen vijf kinderen.
Na de oorlog wilde Bakker alsnog het liefst Nederlands studeren, maar hij accepteerde dat in de CPN “liever koekjes niet gebakken worden”. Hij nam deel aan de Juliconferentie (1945), waar de nieuwe generatie in de Zaan de zijde koos van de vooroorlogse partijvoorzitter Paul de Groot tegen de oppositie. Hij werd streekredacteur van ‘De Waarheid’, in 1946 lid van de centrale redactie en het partijbestuur. Zijn talent als redenaar kwam aan het licht. Hij werd voorzitter van het ‘Algemeen Nederlands Jeugd Verbond’, was met Piet Steenkamp en Wim Klinkenberg oprichter van het ‘Nationaal Jeugdparlement’. Hij moedigde het verzet aan van dienstplichtige soldaten tegen de oorlog met Indonesië, en hij schreef brochures zoals ‘Maak van onze jongens geen SS’ers’. In 1949 werd hij lid van het ‘Dagelijks Bestuur’ van de CPN, nam deel aan de ‘Nederlandse Vredesraad’ en de ‘World Peace Council’. Als enige verzette hij zich op een massameeting in Parijs tegen het voornemen van deze ‘Peace Council’ om een felicitatietelegram naar Stalin te sturen; de Russische dichter Ilya Ehrenburg viel hem bij. Hij woonde het ‘Appèl van Stockholm’bij, en leidde de handtekeningencampagne in Nederland tegen het hernieuwde gebruik van het atoomwapen. In 1952 schreven partijvoorzitter Paul de Groot en Bakker een programma van de CPN, waarin de principes van de parlementaire democratie werden onderschreven en de monarchie werd ontzien. In 1953 werd Bakker hoofdredacteur van ‘De Waarheid’, een functie die hij neerlegde toen hij in 1957 Kamerlid werd.
Voor Bakker was 1958 opnieuw een omslagjaar. In het maandblad ‘Politiek & Cultuur’ kritiseerde hij het optreden van de illegale partijleiding, zonder Paul de Groot, van de laatste oorlogsjaren. In dat jaar ook protesteerde hij tegen voormalig lijsttrekker Wagenaar, die met zijn medestanders een alternatieve partij oprichtte. Gesouffleerd door De Groot, schreef hij De CPN in de oorlog waarin hij het gedrag van de dissidente communisten van 1958 terugprojecteerde op hun optreden tussen 1943 en 1945. Het zakelijke verschil van mening over het voortbestaan van de ‘Eenheidsvakcentrale’ (EVC) kreeg daardoor het karakter van een eerroof. Deze publicatie, onder verantwoordelijkheid van het ‘Dagelijks Bestuur’, markeerde een dieptepunt in de stalinistische partijcultuur.
c. De vernieuwende volksvertegenwoordiger (1957-1982):
In 1956 werd Bakker, bij de uitbreiding van de Kamer van 100 naar 150 zetels, tot lid van de Tweede Kamer gekozen. Het Kamerwerk werd zijn hoofdtaak, dat bracht voor hem een andere omgeving met zich mee, in een tijd dat het politieke klimaat wat milder werd.
De onthullingen over Stalins misdaden hadden tot gevolg dat de CPN enige afstand nam tot ‘Moskou’, het centrum van de communistische beweging: de eigen oordeelsvorming van Nederlandse communisten zou voortaan de maatstaf worden voor haar politiek. De verstoting van de Communistische Partij van China die ‘Moskou’ rond 1960 wilde doordrijven, kreeg geen steun van de CPN omdat die een veroordeling zou impliceren van de zich op China oriënterende Communistische Partij van Indonesië (PKI) waarmee de CPN zich verbonden voelde. De CPN streefde voortaan naar ‘autonomie’, en zocht naar eigen antwoorden op de vraag hoe communisten zich verhouden tot democratie, tot cultuur en tot religie.
Bakker, na 1963 fractievoorzitter, vatte zijn parlementaire werk op als een bijdrage aan de democratie. Bleven Kamerstukken vroeger vaak ongelezen in de fractie, Bakker stelde zich op de hoogte. Zijn optreden rond de kwestie Nieuw-Guinea, zijn bijdragen aan de herziening van de grondwet, zijn kritiek op de Mammoetwet en de Contourennota, zijn opstelling tegenover de studentenbeweging, zijn veroordeling van het neerslaan van de Praagse Lente (1968), zijn interpellaties inzake de stakingswet , zijn protest tegen de vrijlating van Duitse oorlogsmisdadigers, zijn betrokkenheid bij de acties tegen de Amerikanen in Vietnam en de vredesbeweging van eind jaren zeventig, en zo verder, zullen de revue passeren. Een analyse van Bakkers optreden zal waarschijnlijk verschillende fasen in zijn Kamerwerk aan het licht brengen. Een nadere beschouwing van zijn redevoeringen moet duidelijk maken hoe Bakker als redenaar te werk ging, waarbij de beschikbare televisieopnamen behulpzaam kunnen zijn.
In de jaren zeventig verzette oud-voorzitter De Groot, erelid van het partijbestuur, zich tegen de koers van Bakker. Waar die in 1972 voor een ‘constructieve oppositie’ tegen het kabinet-Den Uyl had gekozen, pleitte De Groot voor een offensief tegen de sociaaldemocratie en streefde hij bovendien naar de hernieuwde erkenning van ‘Moskou’. Hij stelde de leuze voor: “Den Uyl, voer de eisen van de arbeidersbeweging uit, of verdwijn”. De oriëntatie van De Groot won het in het Dagelijks Bestuur: in het voorjaar van 1977 ontstond de verkiezingsleuze “Van Agt eruit, de CPN erin” naast een gezamenlijke verklaring van de CPSU (de zusterpartij in de Sovjet-Unie) en de CPN dat beide partijen het eens waren over de grote vraagstukken. Er volgde een dramatische verkiezingsnederlaag (van zeven zetels naar twee), die De Groot toeschreef aan Bakkers capitulatie voor de PvdA. De partijleden in de afdelingen bespraken die kritiek, en kozen tegen De Groot. Bakker zette zijn Kamerwerk voort, en de CPN besloot tot een actievere politiek (‘Stop de neutronenbom’) en het ontwerp van een nieuw partijprogramma.
Bakkers persoonlijke veldtocht in woord en geschrift tegen het concept van een nieuwe grondwet, met daarin de gekozen premier en het districtenstelsel, maakte indruk. Hij verwierf in confrontaties met de regering Van Agt-Wiegel soms de rol van ‘geweten’ van de Kamer. Zijn afscheid uit de Kamer (1982) volgde kort op het aannemen van de grondwet, waarin Bakker onder meer de formulering van artikel 1 leverde. Ook 1982 was een omslagjaar.
d. De Bekende Nederlander:
De Sovjet-Unie teisterde de internationale verhoudingen door Afghanistan binnen te vallen (1979) en de democratiseringsbeweging in Polen te wurgen (1981). De machtsgreep van generaal Jaruzelski stelde de legitimiteit van het communisme aan de orde, dit keer ook binnen de communistische partijen in het Westen.
In 1981 verscheen een eerste ontwerp van een partijprogramma. Een minderheid van leden had daar na Polen geen behoefte meer aan, en zag evenmin heil in het ‘eurocommunisme’: volgens hen had het communisme eenvoudigweg afgedaan. Een orthodoxe minderheid zocht zijn heil in de oude, stalinistische structuren. De CPN kreeg bovendien te maken met de inbreng van feministische partijgenotes, die de marxistische ‘grondslag’ van de CPN ter discussie stelden. De partij raakte vleugellam. Bakker zocht naar een draagvlak voor een compromis over die grondslag. Hij probeerde te reflecteren op zijn politieke ervaringen in ‘Wissels; Herinneringen zonder berouw’ (1983). Hij ging een briefwisseling aan met Neeltje Brands, een religieus geïnspireerde vredesactiviste, die werd gepubliceerd (1985) als ‘Wat bezielt jou?’ Hij werd lid van het Comité van Aanbeveling van de ‘Stichting Homomonument’ (1985), van de Nederlandse Bibliotheekraad (‘Rabin’) en van de Adviesraad van het Nijmeegse ‘Instituut voor de Parlementaire Geschiedenis’. Hij nam geestelijk afscheid van ‘Moskou’ toen bleek dat Stalin en de CPSU inderdaad de moord op duizenden Poolse legerofficieren in Katyn (1940) op hun geweten hadden. Hij zegde zijn lidmaatschap van GroenLinks op toen die partij de bombardementen van de NAVO op Belgrado billijkte, en bleef actief in de vredesbeweging. Hij was beschikbaar voor tal van debatten en interviews, en werkte mee aan een aan hem gewijd televisieprogramma. Begin jaren negentig bleek hij Parkinson te hebben. Hij ging intensieve briefwisselingen aan met Ger Klein (PvdA, oud-staatssecretaris) en met Max Weisglas (VVD, oud-hoogleraar). Hij meed voortaan de publiciteit.
e. Dwarsverbanden en thematische uitwerkingen.
Naast deze chronologische aanpak, waarin ik drie omslagjaren heb aangeduid, is er een persoonlijke thematiek die zich niet in jaartallen laat opsluiten.
In de jaren dertig is de jonge Marcus een bewonderaar van de polemische kracht van Du Perron, en hij geniet van diens literaire verplettering van Dirk Coster. In de jaren veertig verslindt hij Amerikaanse detectiveromans. Zou er een verband kunnen zijn met zijn ontdekking van een complot nadat hij een recent rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie heeft gelezen, en zijn streven naar de polemische verplettering van Gerben Wagenaar in 1958.
Dan is er de relatie tussen Bakker en partijvoorzitter De Groot: in de jaren vijftig koestert De Groot zijn pupil Bakker, in de jaren zeventig brandt De Groot zijn adept Bakker af: zowel in 1958 als in 1975 heeft De Groot een troep dertigers verzameld, die de partij willen overnemen. Waarom verzet Bakker zich nauwelijks tegen De Groot, en lijkt hij verblind door diens licht?
En in de figuur van Bakker personifiëren zich als het ware de onderdompeling van de onverschrokken jongere in een stalinistische partij en de losmaking van het stalinisme van de kwetsbare oudere in een democratisch-socialistische partij.
Ik geef enkele voorbeelden van een zich op Bakker toespitsende thematiek, soms uniek en soms representatief, die bij de uitwerking van de biografie de chronologische opzet kan aanvullen of er soms voor in de plaats kan komen.
- Enkele probleemstellingen die bij het schrijven nadere analyse vergen:
Enkele problemen lenen zich voor nader onderzoek:
- De partijcultuur:
Vanaf zijn toetreden in 1943 tot aan de opheffing van de CPN in 1991 heeft Bakker een leidinggevende rol gespeeld. De wisselwerking tussen zijn persoonlijk handelen en de partijcultuur moet aandacht krijgen, omdat die cultuur, meer dan bij andere partijen, het optreden en de bewegingsvrijheid van haar leden bepaalde. Er moet duidelijk worden wat voor mensen zich verzamelden in die partij, wat voor banden die met elkaar aangingen, wat de omgangsvormen waren en hoe die zich ontwikkelden met de verandering van de politieke situatie.
De ‘cultuur van de CPN’ moet in deel twee (1945-1958) behandeld worden op basis van de geschiedschrijving van de voorafgaande periode. Als dat niet gebeurt, zal de lezer de handelwijze van Bakker nauwelijks kunnen begrijpen. Het heeft er de schijn van dat het karakter van de CPN in de jaren zestig en zeventig fundamenteel verandert, maar in 1980 blijkt dat de ondemocratische partijcultuur nog steeds bestaat. Aan het begin van deel twee moet tevens het begrip ‘charisma’ besproken worden, omdat dit verschijnsel de unieke positie van voorzitter De Groot - tussen 1945 en 1977 zowel de leermeester als de felste opponent van Bakker - kan verklaren.
Bakker voelde zich na de oorlog thuis in die partij van offervaardige arbeiders. De kentering in de publieke opinie voltrok zich binnen drie jaar: van verzetsstrijder tot beweerde doodsvijand van de democratie. De ultieme loyaliteit jegens de CPN, draagster van het emancipatieproces van de arbeidersklasse, was de leidraad voor Bakker en velen van zijn generatiegenoten, ook als individuele kameraden daarvan de dupe werden. Het machtscentrum in Moskou herstelde zich snel: in 1948 werd de theorie van de ‘twee wegen’ afgekondigd, de weg van het kwade en die van het goede, twijfel werd niet langer toegestaan in de communistische partijen. Deze gebeurtenissen hebben het denken van Marcus Bakker, vooral in de periode tot 1960, sterk beïnvloed.
- Waarheidsvinding rond De CPN in de oorlog, 1943-1958.
In de geschiedenis van de CPN staat Bakker bekend als iemand die bereid was om intern knopen door te hakken. Bakker tekende voor de brochure ‘De CPN in de oorlog’waarin hij sommige verzetsmensen ervan beschuldigde ‘agent’ te zijn geweest van geallieerde inlichtingendiensten. Dat spionage van de CPN door de Nederlandse overheid in deze periode volop aan de orde was, wordt thans algemeen erkend. Onderzoekers, soms tevens functionaris van de BVD, hebben onthuld dat de Nederlandse staat praktijken zoals inbraak, valsheid in geschrifte, afluisteren en broodroof, billijkte als het erom ging de invloed van communisten in te dammen. De schrijver Ger Verrips maakte duidelijk dat de oppositie van Wagenaar de onvermoede steun genoot van de ministers van Binnenlandse en Sociale Zaken, van de BVD en het NVV; er was bij deze instanties alle begrip voor de opvatting dat de Eenheidsvakcentrale (EVC) een reservaat voor communisten en strijdbare arbeiders diende te blijven. Daarom is een terugblik op de kwesties van 1958 en van 1943-1945 noodzakelijk op basis van de thans beschikbare informatie, waarvoor misschien archieven in de VS en Rusland moeten worden geraadpleegd. De vraag moet worden beantwoord waar de beduchtheid van Bakker voor spionage en verraad overging in een waan van complottheorieën.
- De steile en de rekkelijke Bakker:
Anders dan voorzitter De Groot was Bakker het gezicht van de CPN, bracht hij onder woorden wat communisten wilden, en wist hij in de Kamer coalities en relaties met mensen van andere partijen te sluiten. Tegelijkertijd trad hij binnen de CPN scherp op in een reeks interne conflicten, overtuigd van eigen gelijk en dat van de partij. Het congres van 1982 herriep ‘De CPN in de oorlog’ omdat het wilde breken met de stalinistische partijcultuur. Op het moment dat Bakker bij zijn afscheid van het parlement werd geëerd, liep hij spitsroeden in de CPN. De vraag is hoe de steile en de rekkelijke Bakker zich tot elkaar verhielden, welke spanning die verhouding in hem opriep en hoe die zich ontwikkelde.
- Maisky en de geschiedschrijving.
In Bakkers archief zit een artikel dat hij in 1965 schreef naar aanleiding van de memoires van Ivan Maisky, Sovjetambassadeur in Londen, over het Pact tussen Hitler en Stalin (1939). Bakker concludeerde daarin dat het schrijven van ‘partijgeschiedenis’ door een communistische partij niet slechts onwenselijk maar ook onmogelijk was: dat diende het werk te zijn van (partij)historici. Het partijblad ‘Politiek & Cultuur’ weigerde het artikel. Het is de vraag of Bakker zich had begeven op het domein van Paul de Groot, die niemand naast zich duldde op het terrein van de geschiedschrijving. Of misschien wilden partijgenoten hem behoeden voor een afgang, als uitgerekend de opsteller van ‘De CPN in de oorlog’zou beweren dat een ‘Dagelijks Bestuur’ behoorde af te zien van geschiedschrijving. Ook is het de vraag waarom Bakker niet op publicatie heeft aangedrongen: was hij bang voor de gevolgen, zag hij de draagwijdte van zijn kritiek in? Een antwoord op deze vragen kan Bakkers denken en handelen in deze tijd van ‘autonomie’ van de CPN verhelderen.
- Nieuwe generaties.
Twee keer sprongen nieuwe generaties communisten op een rijdende trein: de oorlogsgeneratie van Bakker, Hoekstra, Wolff c.s. had geen idee wat de legale CPN inhield, en voegde zich in een partij die ze zelf niet had bedacht. In de jaren zeventig trok de CPN opnieuw duizenden jongeren aan, waaraan de rol van Bakker in de Kamer heeft bijgedragen. Het lukte de CPN om hun radicalisme te kanaliseren en hun respect voor de parlementaire democratie bij te brengen. Velen zetten zich af tegen hun opvoeding en voelden zich er thuis, maar ageerden op den duur voor meer interne democratie. Ook binnen het gezin van Bakker had deze ontwikkeling plaats: het contact met zijn kinderen bewoog Bakker tot een positieve instelling jegens de studenten. Toen de kritiek op het stalinisme aanzwol, kon Bakker die echter niet begrijpen. De correspondentie van Bakker met dochter Marisca van 1981-1982, over het stalinisme en ‘het einde van het communisme’, kan een helder licht werpen op wat er toen met hem, en met de oude partijleiding van de CPN, gebeurde. De publicatie van 1958, kortweg Het Rode Boekje, kon door die opstelling van Bakker in 1982 opnieuw tot een wapen worden in de partijstrijd.
- Mens van vlees en bloed?
Tegen de terugblik van Marcus Bakker op zijn politieke carrière, ‘Wissels; herinneringen zonder berouw’ (1983), wordt vaak aangevoerd dat hij zich als persoon niet laat kennen. Hij geeft geen antwoord op de vraag waarom hij niet eerder en fundamenteler kritiek heeft uitgeoefend op de Sovjet-Unie en de positie van De Groot noch waarom hij niet naar voren heeft gebracht dat ‘De CPN in de oorlog’ een opportunistische constructie was. Hij wilde niet onder ogen zien dat de Russische communisten hun eigen machtspositie op het oog hadden. Hij voerde weliswaar aan dat hij de kameraden die hij eerder de weg had gewezen, niet wilde teleurstellen. Ontbrak het hem aan moed, en wat was dan zijn opvatting van ‘waarheid’?
In de biografie wil ik Bakker als ‘mens van vlees en bloed’ afbeelden, en moet ik een antwoord geven op zulke vragen. In het vooronderzoek heb ik dergelijke vragen aan Bakker voorgelegd. Daarbij kreeg ik uit Bakkers persoonlijk archief materiaal van voor 1944, waaronder briefwisselingen met vrienden en vriendinnen, die een beeld geven van zijn denken als jongeman. Ook sprak ik met Bakkers vrouw, met zijn zuster en met de vijf kinderen (en hun partners) over het gezin, Bakkers vaderschap en zijn opvattingen. Ik achterhaalde Bakkers kant van de correspondentie met de sociaaldemocraat Gerrit Klein en de liberaal Max Weisglas. Er berusten veel brieven van Bakker bij het IISG, en ik ben bereid een interviewproject voor met Kamerleden en bewindslieden, en met tal van vrienden en kameraden. Met behulp van dit materiaal kan ik de persoon van Bakker diepgang geven.
- Beelden en geluiden.
In een bibliografie van de CPN, ‘De communistische erfenis’, hebben Gerrit Voerman en Margreet Schrevel veel beeldend materiaal bijeengebracht (IISG, 1997). Bert Hogenkamp, toenmalig hoofd research van het Audiovisueel Archief, schrijft: “Wie er bijvoorbeeld achter wil komen waarom M. Bakker zo’n geliefd spreker was, kan niet om de tv-uitzendingen heen.” Met de uitgever ben ik overeengekomen dat ik een DVD aan het boek toevoeg met een selectie van audiovisueel materiaal, geluidsbanden, affiches en politieke prenten. Door het bezien van de beelden kan de kijker het beeld controleren, dat ik in de biografie zal oproepen. Voor de lezer onder de vijftig jaar, is deze toevoeging een pure noodzaak.
- De biograaf, en zijn begeleiding:
De biograaf is Leo Molenaar. In de CPN was ik voorzitter van de afdeling Delft (1974), lid van het partijbestuur (1980) en onbezoldigd lid van het ‘Dagelijks Bestuur’ (1984). Ik was in dat laatste bestuur verantwoordelijk voor het vredeswerk (KKN; de volkspetitie) en samen met Ton van Hoek en Herman Meijer voor de samenwerking tussen PPR, PSP, CPN en EVP, die leidde tot één Kamerfractie (1989) en tot de fusie in GroenLinks (1991). Ik kwam Bakker tegen in het partijbestuur, zat met hem in commissies over de statuten en het partijprogramma (1981-1984), en ik volgde hem op als hoofdredacteur van het maandblad ‘Politiek en Cultuur’ (1986).
Ik heb enkele malen intensief bemoeienis met Marcus Bakker gehad. De eerste keer betrof het zijn reactie op een lijvig essay over de Russische bioloog Trofim D. Lysenko, dat ik in 1981 had geschreven voor het driemaandelijkse blad van de ‘vernieuwers’, Komma. Daarin zette ik op basis van de ervaringen met de Lysenko Affaire uiteen waarom de CPN moest worden gebaseerd op een politiek programma, en niet op een wereldbeschouwing zoals het ‘dialectisch materialisme’. Bakker feliciteerde me destijds met dat artikel, en gebruikte een stukje argumentatie in zijn autobiografische Wissels (1983). Hij ging akkoord met mijn voorstel een serie van vier artikelen te schrijven voor ‘zijn’ Politiek en Cultuur, waarin ik ‘de partij’ wilde uitleggen waarom begrippen zoals ‘marxisme-leninisme’ of ‘dictatuur van het proletariaat’ voorgoed hadden afgedaan, en er een nieuw programma nodig was (1982-1983).
Medio 2004 vroeg ik Bakker om medewerking aan een biografie. Hij had daaraan geen behoefte, maar verzoende zich op den duur met het denkbeeld. Sindsdien hebben we tien keer per jaar een voorbereid gesprek gehad.
Het schrijven van de biografie impliceert een reflectie op mijn eigen politieke keuzen, en het vereist een gepaste wisselwerking tussen distantie en betrokkenheid. Dat stelt hoge eisen aan de samenstelling van een begeleidingsgroep. Politicoloog Meindert Fennema en schrijver Ger Verrips, kritische kenners van de CPN, willen in ieder geval van die groep deel uitmaken. Ook Bakkers dochter Marisca Milikowski wil meelezen. Daarnaast uitgever Joop IJisberg van Pegasus, en socioloog Bert Kanters die bij de Industriebond NVV heeft gewerkt. Dan wil ik enkele jonge mensen vragen, en geïnteresseerde leeftijdgenoten uit de socialistische en de links-liberale hoek. De groep begeleiders zou acht à tien mannen en vrouwen moeten tellen. De begeleiding heeft plaats via persoonlijke gesprekken over de concepten van de teksten.
- Werkwijze, beschikbaarheid van bronnen en archieven:
Gezien de leeftijd van een groot aantal betrokkenen, wil ik met de ‘oral history’ beginnen. Interviews met collega’s en bewindslieden zoals Van Thijn, Dolman, Terlouw, Steenkamp, Andriessen, Van Leeuwen, Jorritsma, De Jong, Van Kemenade, Van Mierlo, Stemerdink, Van der Spek, Van Agt, Wiegel, Aantjes, Lubbers, moeten een beeld geven van wat zijn collega’s van de politicus én de mens Bakker vinden. Ook de communistische collega’s en medewerkers van de Kamer zoals Gijs Schreuders, Ina Brouwer, Marius Ernsting, Evelien Eshuis, André de Leeuw, Gerard Blees en Marianne Braun wil ik daarnaar vragen, evenals Bakkers vrienden in de partij, uit zijn jeugd of in familiekring. Voor veel interviews zal ik tevoren publicaties van en over de gesprekspartners lezen, die het vraaggesprek meer reliëf kunnen geven.
Alle ‘Handelingen’, alle notulen van commissieverslagen, alle bijdragen van en over Marcus Bakker in ‘Politiek & Cultuur’ en ‘De Waarheid’, zijn bronnen. Een aantal te selecteren onderwerpen moet nader worden bestudeerd op basis van andere, zo veelzijdig mogelijke bronnen. Ik zal de medewerking van het ‘Instituut voor Parlementaire Geschiedenis’ in Nijmegen vragen, evenals die van het ‘Biografie Instituut in Groningen. Ik zal de oude en de recente literatuur over de CPN moeten bestuderen van auteurs zoals Jan Willem Stutje, Gerrit Voerman, Meindert Fennema, Dick Engelen, Igor Cornelissen, Arthur Stam, Susan Legêne, Ger Verrips, Jolanda Withuis en Ger Harmsen, en zo mogelijk, met hen van gedachten moeten wisselen.
Ik heb toestemming het gehele CPN-archief in te zien in het Internationaal Instituut van Sociale Geschiedschrijving (IISG), in de eerste plaats dat van Bakker. Ger Verrips gaf toestemming om zijn CPN-archief in het IISG door te nemen. Van Gerrit Voerman kreeg ik een beeld van de contacten van CPSU met de CPN van na de oorlog, waarbij Bakker betrokken kan zijn geweest. Ik mocht van onderzoeker Cees Wiebes archiefmateriaal over de CPN uit Amerikaanse bronnen doornemen, zoals de ‘intelligence’ die toen vanuit de Haagse VS-ambassade is verstuurd. Van de briefwisselingen met Ger Klein en Max Weisglas kreeg ik van hun weduwen Bakkers kant van de correspondentie. Van Bakker zelf kreeg ik een meter privémateriaal ter inzage, en van dochter Marisca de correspondentie met haar vader.
Bij de BVD zal een omvangrijk Bakkerarchief liggen, dat ik probeer te raadplegen. Bij de CIA, bij Amerikaanse departementen of in de Sovjetarchieven kan relevant materiaal zitten. Er zijn archieven van de Nederlandse Vredesraad en de Wereldvredesraad, van de NBAS-Zaandam en van het ANJV. In de Zaanse archieven zal ik zoeken naar materiaal over vader C.C. Bakker, om het rode Zaandam van de jonge Marcus beter te kunnen schetsen.
Het oral history project vormt tevens een aanvullende speurtocht naar archief- en bronnenmateriaal. Al werkend zal er heel wat te voorschijn komen.
- Kwalificatie:
Van 1968 tot 2007 was ik leraar scheikunde. Bovendien kon ik op aanbeveling van Ger Harmsen in 1989 als historicus promoveren bij Piet de Rooij en Albert Kersten op ‘De geschiedenis van het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers’ (1994). Daarna schreef ik de biografie van de astrofysicus, flamingant, didacticus en socialist Marcel Minnaert, ‘De rok van het universum’ (2003), daarbij ondersteund door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, de Utrechtse Universiteit en het Pieter Zeemanfonds. Ten behoeve van de afronding van beide publicaties stelde de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) mij een jaar lang vrij van mijn leraarschap; twee keer een hoofdprijs.
Het boek over de astrofysicus Marcel Minnaert werd in 2004 genomineerd als beste wetenschapsboek van 2003 (NWO), kwam op de short list van vijf, en werd nummer twee. Het is uitgebreid en waarderend besproken in tal van Nederlandse en Vlaamse kranten en bladen. Het NWO-juryrapport van mei 2004 was de troostprijs:
“Hij was een zondagskind en een belofte. Hij groeide uit tot flamingant, communist en fameus astrofysicus. Voor ‘De rok van het universum’ heeft Leo Molenaar het leven van de veelzijdige en intrigerende Marcel Minnaert tot in detail uitgeplozen. De bij vlagen bijna encyclopedische biografie over deze grote geleerde uit de twintigste eeuw is tevens een monument voor de menselijkheid van wetenschappers. Een zo geïnteresseerde biograaf als Molenaar wenst de jury eigenlijk iedereen toe!”
Het boek werd in 2005 gerekend tot de eerste duizend Nederlandstalige boeken, vanaf de Middeleeuwe, die bij de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren (DBNL) ontsloten moesten worden voor lezing op de computer.
- De planning:
Eerste periode: december 2009 tot en met mei 2010, zes maanden.
Verkennend onderzoek in publicaties, bronnen en mondelinge overlevering. Elke week twee interviews: dus in deze periode een veertigtal interviews met politici en bekenden. Verzamelen van archiefmateriaal. Maken van een nadere opzet, en een selectie van materiaal. Kiezen en vragen van de begeleiders. Oriëntatie op eventueel bezoek aan de VS (CIA) en op Russische archieven. Verzamelen van audiovisueel materiaal.
Tweede periode: juni 2010 tot en met februari 2011, negen maanden.
Schrijven van de eerste concepten van de vier delen. Restant van het verkennend onderzoek. Keuze uit het audiovisueel materiaal en opzet van de DVD.
- Een maand: schrijven concept van deel I. Toespitsen van vraagstelling van deel II. Tekst voorleggen aan begeleiders.
- Twee maanden: schrijven concept van deel II. Toespitsen van vraagstelling van deel III. Tekst voorleggen aan begeleiders.
- Vier maanden: schrijven concept van deel III. Toespitsen van vraagstelling van deel IV. Tekst voorleggen aan begeleiders.
- Een maand: schrijven concept van deel IV. Tekst voorleggen aan begeleiders.
- Een maand: voorstellen tot herziening van delen van de tekst op basis van de kritiek op de vier concepten honoreren. Definitieve vraagstellingen.
Derde periode: maart 2011 tot november 2011, negen maanden.
Schrijven van de biografie. Voorleggen van de concepttekst aan ‘meelezers’. Verwerken van de kritiek. Definitieve opzet van de DVD, en werk aan de realisering.
De drie periodes samen komen uit op 24 maanden, inclusief drie maanden vakantie. De begrote tijd bedraagt dan 21 maanden. Dat veronderstelt dat er zonder onderbreking wordt gewerkt, en dat alles zich aan dit strakke plan houdt. Er zal dus wel vertraging optreden.

