Nieuw: december 2011.
Opzet voor een biografie van Marcus Bakker (1923-2009)
Deze opzet voor een biografie geeft bezoekers van deze website, www.leomolenaar.nl/nieuws/bakker, een beeld van dit project, waarop ze kunnen reageren. Ik besloot een aantal jaren geleden om een levensverhaal van Marcus Bakker te schrijven, omdat mij dat, ook voor de actualiteit, belangwekkend leek.
Ik heb daarom vanaf de zomer van 2004 eens per maand, zonder veel voorbereiding, met Marcus Bakker gesproken over zijn jeugd, over de beweegredenen van zijn optreden en over tal van politieke onderwerpen. Daaraan kwam in de herfst van 2009 een einde: op 24 december is hij overleden. Zijn dood riep een overweldigende belangstelling op, zowel in de media als op zijn crematie. De Tweede Kamer heeft hem op 12 januari 2010 herdacht, in aanwezigheid van zijn vrouw Els Bakker-Ezerman, zijn kinderen en kleinkinderen, met toespraken van Kamervoorzitter Gerdi Verbeet en van de toenmalige vicepremier Wouter Bos.
Neem contact op:
Heeft U na het lezen van onderstaande opzet van de biografie opvattingen, artikelen of beelden over Bakker waarvan u denkt dat de biograaf die zou moeten kennen, of vindt u dat wat u weet bij mij bekend zou moeten zijn, laat het me dan weten. Ik neem snel persoonlijk contact met u op: mijn e-mails en telefoonnummers staan op de home pagina.
Inhoudsopgave opzet biografie 3. Enkele probleemstellingen die bij het schrijven nadere analyse vergen 4. De biograaf, en zijn begeleiding |
|
Begin november 1956 legde Marcus Bakker, die door de uitbreiding van de Kamer van 100 naar 150 zetels parlementslid voor de Communistische Partij van Nederland (CPN) was geworden, de eed af op de grondwet. Als hoofdredacteur van het dagblad De Waarheid had hij opzienbarende commentaren gegeven op de watersnoodramp, op de crisis rond koningin Juliana en de opstand in Hongarije. Bij regeringsleider Drees stond hij bekend als de bonte hond. Bij zijn eerste optreden, dat ging over de Hongaarse opstand en het koloniale optreden rond het Suezkanaal, stroomde de Tweede Kamer leeg.
Bij zijn afscheid in 1982, ruim 25 jaar later, onderbrak het kabinet Den Uyl-Van Agt zijn werk om de bewindslieden de gelegenheid te geven Bakker de hand te schudden. In 1991 stelde een Kamercommissie, onder leiding van Annemarie Jorritsma (VVD), voor om een vergaderzaal in het gebouwencomplex van de vernieuwde Tweede Kamer naar Marcus Bakker te noemen. Hij kwam daardoor in het illustere gezelschap van Thorbecke, Groen van Prinsterer, Troelstra, Oud, Aletta Jacobs en Marga Klompé.
Hoe was deze omslag mogelijk? Wat waren de verdiensten en kwaliteiten van deze parlementariër? Hoe slaagde hij erin om in die kwart eeuw de afkeuring van zijn persoon om te zetten in respect en bewondering? Welke rol speelde zijn partij daarbij?
Het opheffen van het verbod op propaganda van de CPN, begin jaren zestig, viel samen met de noviteit van het uitzenden van Kamerdebatten op de televisie, waardoor burgers zich een mening konden vormen over de discussies tussen regering en parlement. Bakker toonde zich onovertroffen in het debat, en wist door zijn optreden meer belangstelling te wekken voor het werk van de Kamer. Kon de communist Bakker een brug slaan tussen de bevolking en haar vertegenwoordiging? Hoe deed hij dat? Welke opvattingen over democratie hield hij er zelf op na, en hoe stond zijn partij daar tegenover?
Ik wil het leven en het werk van Marcus Bakker beschrijven en op elkaar betrekken, en ik zal de wisselwerking tussen diens politieke opvattingen, persoonlijke drijfveren, omgeving en de partijcultuur van de CPN analyseren tegen de achtergrond van de relevante politieke en culturele ontwikkelingen in de twintigste eeuw.
In deze opzet scheid ik het leven van Bakker tussen een periode voor 1982,als hij na 26 jaar uit de Kamer gaat, en in de periode erna. In deel 3 over zijn optreden als Kamerlid (1956-1982) ga ik uitgebreid in op de manier waarop hij zijn rol als volksvertegenwoordiger opvatte, en ik zal daarbij zijn retorica ontleden. Bakker maakte na 1982 het verschijnen mee van markante Kamerleden zoals Jan Marijnissen (SP), Femke Halsema (GroenLinks) en Geert Wilders (PVV). De eerste werd vaak vergeleken met Bakker, de tweede leidde de partij waarvan Bakker in 1991 lid werd. De derde wordt aangeduid als ‘populist’, een term die sommigen ook hebben gebezigd als het om de stijl van Bakker ging. In briefwisselingen en interviews ging Bakker in op zijn opvolgers. Om de betekenis van Bakker voor een nieuwe generatie duidelijk uiteen te zetten, wil ik zijn parlementaire optreden vergelijken met dat van populaire Kamerleden na hem en daarbij ingaan op het vermeende ‘populisme’.
De DVD, die bij het boek zal worden gesloten, laat typerende optredens in de Kamer zien. Die zal jonge mensen kunnen helpen bij het vormen van een eigen mening over de kracht van Bakkers optreden. Voor de ouderen is het een hernieuwde kennismaking met de manier waarop Bakker inhoud gaf aan zijn optreden in dienst van de werkende bevolking.
Ik wil Bakkers leven en werk indelen in vier perioden. Die vier ‘delen’ moeten hun beslag krijgen in een structuur van hoofdstukken. Vooraf introduceer ik een centrale vraagstelling aan de hand van gebeurtenissen uit het jaar 1982.
-
1982: Climax en anticlimax voor Bakker.
In 1982 nam de 59-jarige Bakker afscheid van de Tweede Kamer. Hij werd toegesproken door Kamervoorzitter Dolman, en kreeg de gelegenheid om als nestor de Kamer zijn visie te geven op het probleem van de democratische legitimiteit: “wie zal de bewakers bewaken?”. Het was een glorieus afscheid. Op datzelfde moment moest Bakker binnen de CPN spitsroeden lopen. In zijn partij was de opstand uitgebroken van een nieuwe generatie tegen het stalinistische verleden. Dat werd gesymboliseerd door het boekje De CPN in de oorlog (1958) dat aan hem werd toegeschreven. De lezer maakt kennis met twee vervlochten aspecten van het leven van Bakker, zijn Kamerwerk en zijn partij, en kan met behulp van deze ‘tussenstand’ de ontwikkelingen actiever volgen.
-
Van beoogd Neerlandicus tot verzetsman (1923-1945): deel 1.
Marcus Bakker is geboren in het rode Zaandam op 20 juni 1923, met een bestuurder van NVV en SDAP als vader en een leesgrage, humoristische huisvrouw als moeder. Op de HBS-B van Het Zaanlands Lyceum werd hij actief in de geheelonthoudersjeugd van de NBAS en redigeerde hij het afdelingsblad Accoorden. Hij correspondeerde intensief met vriendinnen en vrienden, en kreeg relaties die een leven lang duurden. Na zijn diploma (1941) deed hij staatsexamen Latijn en Grieks (1943), omdat hij Nederlands wilde studeren. Zijn helden waren Du Perron, vooral diens polemieken vond hij schitterend, Marsman en Ter Braak. De oorlog en zijn weigering de Ariërverklaring te tekenen maakten die studiekeuze onuitvoerbaar.
1943 was een omslagjaar. Hij werd toen lid van de illegale CPN, waardoor zijn sociale omgeving drastisch veranderde. Het was ook het jaar waarin hij door de NBAS zijn levenspartner Els Ezerman vond. Hij pleitte in De Waarheid voor een ‘algemene’ jeugdbeweging, die uit de verstarde kaders van socialisme en communisme moest breken. Hij keerde zich in het literaire Zaans Groen tegen een ‘defensieve poëzie’, die wegliep voor de noodzakelijke strijd. Hij had in het laatste oorlogsjaar de eenhoofdige leiding van de Zaanse CPN, en besloot dat hij na 5 mei 1945 nergens meer bang voor zou zijn.
Hoofdstukken betreffen De Rode Zaan, de Bakkers en het Vissershop (1), de vrije geheelonthoudersjeugd van NBAS en zijn briefschrijverij (2), Het Zaanlands Lyceum (3), zijn geliefde Els Ezerman (4), de Premsela’s en zijn stap naar het communistische verzet (5) en zijn polemieken in illegale bladen zoals Zaans Groen, Vaart en De Waarheid (6).
-
De journalist en de machtspoliticus (1945-1958): deel 2.
Na de oorlog wilde Bakker alsnog studeren, maar hij accepteerde graag dat in de CPN “liever koekjes niet gebakken worden”. Hij nam deel aan de Juliconferentie (1945), waar de nieuwe generatie in de Zaan de zijde koos van de vooroorlogse partijvoorzitter Paul de Groot tegen de oppositie. Hij werd streekredacteur van De Waarheid, gastschrijver voor De Rode Vaan (KPBelgië), in 1946 lid van de centrale redactie en het partijbestuur. Zijn talent als redenaar kwam aan het licht. Hij trouwde in 1946 met Els Ezerman, dochter van de acteur Lau Ezerman, en kleindochter van de flamboyante vakbondsman en PvdA-coryfee Jan van Zutphen. Hoewel partijlid meed zij vergaderingen en partijpublicaties, en wilde zij niet op vakantie naar Oost-Europa. Ze kregen vijf kinderen.
Hij werd voorzitter van het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond, en richtte met Piet Steenkamp en Wim Klinkenberg het Nationaal Jeugdparlement op. Hij moedigde het verzet aan van soldaten tegen de oorlog met Indonesië, en schreef brochures zoals Maak van onze jongens geen SS’ers. In 1949 werd hij lid van het Dagelijks Bestuur van de CPN, stichtte hij de Nederlandse Vredesraad en nam hij deel aan de voorbereiding van de Wereldvredescongressen. Hij verzette zich in de voorbereidende vergaderingen tegen het voornemen om op het eerste Congres te Parijs een felicitatietelegram naar Stalin te sturen; de Russische Ilja Ehrenburg viel hem bij. Hij was present bij het Appèl van Stockholm (1950), waarin zij die opnieuw het atoomwapen zouden gebruiken tot oorlogsmisdadigers worden gebrandmerkt, en leidde de handtekeningencampagne in Nederland. In 1952 schreef partijvoorzitter Paul de Groot een beginselprogramma. Omdat Bakker actief had meegewerkt aan de gedachtevorming, dacht hij achteraf dat hij de schrijver ervan was en dat de uitgangspunten van de parlementaire democratie erin werden onderschreven. Beide veronderstellingen waren onjuist. In 1953 werd Bakker hoofdredacteur van De Waarheid, en profileerde hij een strijdbare, eenzijdige krant. Deze functie legde hij in 1957 neer, omdat hij zijn Kamerwerk goed wilde doen.
Bakker speelde een belangrijke rol spelen in het conflict van eind jaren vijftig. Dat ging om de aansluiting op termijn bij het NVV, waarvoor de Eenheidsvakcentrale (EVC) moest worden opgegeven. Na 1947 was het de vereende, geheime inspanning geweest van achtereenvolgende regeringen, de BVD, het NVV en de PvdA om de communisten voorgoed binnen de EVC en buiten het NVV te houden. De strijd voor het opheffen van de EVC ging gepaard met het uittreden van vier Kamerleden van de CPN, die wel hun zetel behielden. Nadat de leden van de CPN in grote meerderheid het optreden van deze groep-Wagenaar hadden afgekeurd, werd een tactiek ontworpen om communisten een rol in het NVV te laten spelen. De Groot greep de afkeer van de zetelroof van de oppositie aan om zijn geschiedschrijving vast te leggen van de CPN tussen 1943 en 1958. In De CPN in de oorlog, of Het Rode Boekje, dat in november 1958 door het Dagelijks Bestuur werd gefiatteerd, werden alle opposanten tegen zijn naoorlogse leiding uitgeroepen tot buitenlandse agenten, inclusief Wagenaar, Brandsen en Reuter, de tegenstanders van dat voorjaar. De partijstrijd, die was gegaan over het voortbestaan van de Eenheidsvakcentrale (EVC) en over een grotere vrijheid van discussie, kreeg door dit boekje het karakter van een eerroof. Het was een dieptepunt in de stalinistische partijcultuur, en een taboe. Twintig jaar lang werd communisten alle medewerking verboden aan nader onderzoek over wat zich in de jaren veertig en vijftig in de CPN had afgespeeld.
De hoofdstukken betreffen zijn jonge jaren in het ANJV en de Vredesbeweging waarin hij journalist wordt en de actie aanvoert tegen de koloniale oorlog (1), zijn werk als Dagelijks Bestuurder van de CPN en zijn strijdbare profiel voor De Waarheid (2) en de partijstrijd tussen 1956 en 1958, te beginnen met de ontluistering van Stalin en de opstand in Hongarije, en Bakkers debuut in de Tweede Kamer (3).
-
De volksvertegenwoordiger (1957-1982): deel 3.
Het Kamerwerk werd Bakkers hoofdtaak, wat voor hem een andere omgeving bracht in een tijd dat het politieke klimaat milder werd. De CPN had na 1956 enige afstand genomen tot ‘Moskou’: de eigen oordeelsvorming zou de maatstaf worden voor de beoordeling van kwesties. De excommunicatie van de Communistische Partij van China die ‘Moskou’ rond 1960 wilde doordrijven, kreeg geen steun van de CPN. Die zou een veroordeling impliceren van de zich op China oriënterende Communistische Partij van Indonesië (PKI), waarmee de CPN zich verbonden voelde. De CPN streefde begin jaren zestig naar ‘autonomie’,voor zichzelf en voor Nederland, en zocht naar eigen antwoorden op de vraag hoe communisten zich verhouden tot vraagstukken van democratie, cultuur, wetenschap en religie.
Bakker, na 1963 fractievoorzitter, vatte zijn parlementaire werk op als een bijdrage aan de democratie. Bleven Kamerstukken vroeger ongelezen, Bakker stelde zich nauwgezet op de hoogte. Zijn optreden rond de kwestie Nieuw-Guinea, zijn bijdragen aan de herziening van de grondwet, zijn kritiek op de Mammoetwet en de Contourennota, zijn opstelling tegenover de studentenbeweging, zijn veroordeling van het neerslaan van de Praagse Lente (1968), zijn interpellaties inzake de stakingswet, zijn protesten tegen de vrijlating van Duitse oorlogsmisdadigers, zijn betrokkenheid bij de Vietnamacties en de vredesbeweging van eind jaren zeventig, zullen de revue passeren. Specifieke gebeurtenissen zullen worden uitgelicht. Een analyse van Bakkers optreden zal verschillende fasen in zijn Kamerwerk aan het licht brengen. Een nadere beschouwing van zijn redevoeringen moet duidelijk maken hoe Bakker als redenaar te werk ging, waarbij beschikbare televisieopnamen behulpzaam zullen zijn.
Bakkers persoonlijke veldtocht in woord en geschrift tegen het concept van een nieuwe grondwet, met daarin de gekozen premier en het districtenstelsel, maakte indruk. Hij verwierf in confrontaties met de regering Van Agt-Wiegel soms de rol van ‘geweten’ van de Kamer. Zijn afscheid uit de Kamer (1982) volgde kort op het aannemen van de grondwet, waarin Bakker onder meer de formulering van artikel 1, het antidiscriminatie-artikel, had geleverd.
In de jaren zeventig verzette oud-voorzitter De Groot, erelid van het partijbestuur, zich tegen de politieke koers van Bakker. Hij had de exclusieve verantwoordelijkheid gehouden voor de internationale contacten, en was daarmee feitelijk voorzitter gebleven ook al was Henk Hoekstra de formele voorzitter. Waar Bakker in 1972 voor een ‘constructieve oppositie’ tegen het kabinet-Den Uyl had gekozen, pleitte De Groot voor een offensief tegen de sociaaldemocratie, en streefde hij bovendien naar zijn hernieuwde erkenning door ‘Moskou’. Hij stelde rond 1974 de leuze voor: “Den Uyl, voer de eisen van de arbeidersbeweging uit, of verdwijn”. De oriëntatie van De Groot won het in het Dagelijks Bestuur: In het voorjaar van 1977 kwam uit zijn koker de verkiezingsleuze Van Agt eruit, de CPN erin. Ook kwam er tezelfdertijd in Moskou een verklaring van de CPSU en de CPN uit, dat beide partijen het eens waren over de grote internationale vraagstukken. Er volgde een dramatische verkiezingsnederlaag (van zeven zetels naar twee), die De Groot toeschreef aan Bakkers capitulatie voor de PvdA. De Groot viel zowel het Dagelijks Bestuur als de redactie van De Waarheid aan, en behaalde in het partijbestuur voor het eerst een nederlaag. Bakker zette, samen met Joop Wolff, zijn werk voor de Kamerfractie voort. De CPN volgde De Groot in zijn pleidooi voor een actievere politiek (Stop de neutronenbom), en besloot tot het ontwerpen van een nieuw Beginselprogramma. In het open discussieklimaat dat na 1977 ontstond, kwam de kritiek tot ontwikkeling op de ‘stalinistische’ wijze van functioneren van de CPN. De opposanten kozen Het Rode Boekje van 1958 als voorbeeld van ‘hoe het nooit meer mocht gaan’. Bakker, die in 1958 het auteurschap op zich had genomen, raakte daardoor in de klem. Op het moment dat Bakker het voorzitterschap van de Kamerfractie overdroeg aan Ina Brouwer, had hij het in de CPN moeilijk met zijn onverwerkte, stalinistische verleden. De emotionele conflicten, die de restanten van de generatie van Bakker teisterden, droegen bij aan de crisis van een CPN die in 1986 uit de Kamer zou verdwijnen. Ook de ontwikkelingen in de communistische beweging speelden daarbij uiteraard hun rol.
-
De Bekende Nederlander (1982-2002): deel 4.
De Sovjet-Unie teisterde de internationale verhoudingen door Afghanistan binnen te vallen (1979) en de democratiseringsbeweging in Polen af te wurgen (1981). De machtsgreep van generaal Jaruzelski stelde de legitimiteit van het communisme aan de orde, dit keer ook binnen de communistische partijen in het Westen. In datzelfde jaar verscheen een eerste ontwerp-Hoekstra voor een partijprogramma van de CPN. Een minderheid van leden had daar na Polen geen behoefte meer aan, en zag evenmin heil in het ‘eurocommunisme’: volgens hen had het communisme eenvoudigweg afgedaan. Een orthodoxe minderheid zocht zijn heil in de vertrouwde, stalinistische structuren. De CPN kreeg bovendien te maken met de inbreng van feministische partijgenotes, die een exclusieve, marxistische grondslag van de CPN afwezen. De partij raakte vleugellam.
Bakker probeerde na zijn Kamerlidmaatschap te reflecteren op zijn politieke ervaringen in Wissels; Herinneringen zonder berouw (1983). Bakker zocht binnen de CPN vergeefs naar een breed draagvlak voor een compromis over de communistische grondslag. Het programma kwam er uiteindelijk met veel tumult, maar dat kon de CPN niet verenigen (1984). Bakker ging een briefwisseling aan met Neeltje Brands, een religieus geïnspireerde vredesactiviste, die werd gepubliceerd (1985) als Wat bezielt jou? Hij werd lid van het Comité van Aanbeveling van de Stichting Homomonument (1985), van de Nederlandse Bibliotheekraad (Rabin) en van de Adviesraad van het Nijmeegse Instituut voor de Parlementaire Geschiedenis. Hij nam geestelijk afscheid van ‘Moskou’ toen bleek dat Stalin en de CPSU toch de moord op duizenden Poolse legerofficieren in Katyn (1940) op hun geweten hadden. Hij zegde zijn lidmaatschap van GroenLinks op toen die partij de bombardementen van de NAVO op Belgrado billijkte (1998), en bleef actief in de vredesbeweging. Hij was beschikbaar voor tal van debatten en interviews, en werkte mee aan een aan hem gewijd televisieprogramma. In de jaren negentig bleek hij Parkinson te hebben. Hij ging intensieve briefwisselingen aan met Ger Klein (PvdA, oud-staatssecretaris) en met Max Weisglas (VVD, oud-hoogleraar). Hij meed voortaan de publiciteit. In zijn correspondenties ging hij in op Kamerleden zoals Marijnissen, Halsema en Wilders, en aan zijn reflecties zal ik de mijne toevoegen.
-
Dwarsverbanden en thematische uitwerkingen.
Naast deze chronologische aanpak, is er een thematiek die zich niet in jaartallen laat opsluiten.
Neem de relatie tussen Bakker en partijvoorzitter De Groot: in de jaren vijftig koestert De Groot zijn pupil Bakker en mag die hem grote diensten bewijzen, in de jaren zeventig brandt De Groot zijn adept Bakker af. Zowel in 1958 (Bakker,Hoekstra) als in 1975 (Reiding, De Leeuw) heeft De Groot een troep dertigers verzameld, die de partij onder zijn leiding wil overnemen. Waarom verzette Bakker zich niet tegen De Groot, en leek hij verblind door diens licht? Waarom dacht hij dat De Groot in 1977 vanzelfsprekend de overwinnaar zou blijken?
Er is ook een andere thematiek van de generaties: in de figuur van Bakker maakt de lezer de onderdompeling mee van de onverschrokken jongere in een stalinistische partij, en de moeizame losmaking van het stalinisme van de twijfelende oudere in een partij die sociaaldemocratisch lijkt.
Ik geef voorbeelden van een zich op Bakker toespitsende thematiek, soms uniek en soms representatief, die bij de uitwerking van de biografie de chronologische opzet kan aanvullen of er soms voor in de plaats kan komen.
Enkele problemen lenen zich voor nader onderzoek:
-
De partijcultuur:
Vanaf zijn toetreden in 1943 tot aan de opheffing van de CPN in 1991 heeft Bakker een leidinggevende rol gespeeld. De wisselwerking tussen zijn persoonlijk handelen en de partijcultuur moet aandacht krijgen, omdat die cultuur, meer dan bij andere partijen, het optreden en de bewegingsvrijheid van haar leden bepaalde. Er moet duidelijk worden wat voor mensen zich verzamelden in die partij, wat voor banden die met elkaar aangingen, wat de omgangsvormen waren en hoe die zich ontwikkelden met de verandering van de politieke situatie.
De ‘cultuur van de CPN’ moet in deel twee (1945-1958) behandeld worden op basis van de geschiedschrijving van de voorafgaande periode. Als dat niet gebeurt, zal de lezer de handelwijze van Bakker nauwelijks kunnen begrijpen. Het heeft er de schijn van dat het karakter van de CPN in de jaren zestig en zeventig fundamenteel verandert, maar in 1980 blijkt dat de ondemocratische partijcultuur onveranderd voortleeft. Aan het begin van deel twee moet het begrip ‘charisma’ besproken worden, omdat dit verschijnsel de unieke positie van voorzitter De Groot - tussen 1945 en 1977 zowel de leermeester als de felste opponent van Bakker - kan verklaren.
Bakker voelde zich na de oorlog thuis in die partij van offervaardige arbeiders. De kentering in de publieke opinie voltrok zich binnen drie jaar: Bakker werd van verzetsstrijder een beweerde doodsvijand van de democratie. De ultieme loyaliteit jegens de CPN, draagster van het emancipatieproces van de arbeidersklasse, was de leidraad voor Bakker en velen van zijn generatiegenoten, ook als individuele kameraden daarvan de dupe werden.
-
Waarheidsvinding rond De CPN in de oorlog, 1943-1958.
In de geschiedenis van de CPN staat Bakker bekend als iemand die bereid was om intern knopen door te hakken. Bakker nam de brochure De CPN in de oorlog voor zijn rekening, waarin sommige verzetsmensen ervan beschuldigd worden ‘agent’ te zijn geweest van geallieerde inlichtingendiensten. Dat spionage van de CPN in deze periode volop aan de orde was, wordt thans algemeen erkend. Onderzoekers, soms tevens functionaris van de BVD, hebben onthuld dat de Nederlandse staat praktijken zoals inbraak, valsheid in geschrifte, afluisteren en broodroof, billijkte als het erom ging de invloed van communisten in te dammen. De schrijver Ger Verrips maakte duidelijk dat de oppositie van Wagenaar de onvermoede steun genoot van de ministers van Binnenlandse en Sociale Zaken, van de BVD en het NVV; er was bij deze instanties alle begrip voor de opvatting dat de Eenheidsvakcentrale (EVC) een reservaat voor communisten en strijdbare arbeiders diende te blijven. Daarom is een terugblik op de kwesties van 1958 en van 1943-1945 noodzakelijk op basis van de thans beschikbare informatie. De vraag moet worden beantwoord waar de terechte beduchtheid van de CPN voor spionage en verraad overging in vervolgingswaan. Wie schreef die brochure eigenlijk?
-
De steile en de rekkelijke Bakker:
Anders dan voorzitter De Groot was Bakker het gezicht van de CPN, bracht hij onder woorden wat communisten wilden, en wist hij in de Kamer coalities en relaties met mensen van andere partijen te sluiten. Tegelijkertijd trad hij binnen de CPN scherp op in een reeks interne conflicten, overtuigd van eigen gelijk en dat van de partij. De vraag is hoe de steile en de rekkelijke Bakker zich tot elkaar verhielden, welke spanning die verhouding in hem opriep en hoe die zich ontwikkelde.
-
Maisky en de geschiedschrijving.
In Bakkers archief zit een artikel dat hij in 1965 schreef naar aanleiding van de memoires van Ivan Maisky, Sovjetambassadeur in Londen, over het Pact tussen Hitler en Stalin (1939). Bakker concludeerde daarin dat het schrijven van ‘partijgeschiedenis’ door een communistische partij niet slechts onwenselijk maar ook onmogelijk was: dat diende het werk te zijn van (partij)historici. Het partijblad Politiek en Cultuur weigerde het artikel. Het is de vraag of Bakker zich had begeven op het domein van Paul de Groot, die niemand naast zich duldde op het terrein van de geschiedschrijving. Ook is het de vraag waarom Bakker niet harder op publicatie heeft aangedrongen: was hij bang voor de gevolgen, zag hij de draagwijdte van zijn kritiek in? Een antwoord op deze vragen kan Bakkers denken en handelen in deze tijd van ‘autonomie’ van de CPN verhelderen.
-
Nieuwe generaties.
Twee keer sprongen nieuwe generaties communisten op een rijdende trein: de oorlogsgeneratie van Bakker, Hoekstra, Wolff c.s. had geen idee wat de legale CPN inhield, en voegde zich in een partij die ze zelf niet had bedacht. In de jaren zeventig trok de CPN opnieuw duizenden jongeren aan, waaraan de rol van Bakker in de Kamer heeft bijgedragen. Het lukte de CPN om hun radicalisme te kanaliseren en hun respect voor de parlementaire democratie bij te brengen. Velen zetten zich af tegen hun opvoeding en voelden zich er thuis, maar ageerden op den duur voor meer interne democratie. Ook binnen het gezin van Bakker had deze ontwikkeling plaats: het contact met zijn kinderen bewoog Bakker tot een positieve opstelling jegens de studenten. Toen de kritiek op het stalinisme aanzwol, kon Bakker die echter niet begrijpen. De correspondentie van Bakker met dochter Marisca van 1981-1982, over het stalinisme en ‘het einde van het communisme’, kan een helder licht werpen op wat er toen met hem, en met de oude partijleiding van de CPN, gebeurde. De publicatie van 1958, kortweg Het Rode Boekje, kon door die opstelling van Bakker en zijn leeftijdgenoten in het Dagelijkse Bestuur, in 1982 opnieuw tot een wapen worden in de partijstrijd. De triomfantelijke overwinning van 1958, bekroond door De Groot, heeft de CPN erg duur betaald.
-
Mens van vlees en bloed?
Tegen de terugblik van Marcus Bakker op zijn politieke carrière, Wissels; herinneringen zonder berouw (1983), wordt vaak aangevoerd dat hij zich als persoon niet laat kennen. Hij geeft geen antwoord op de vraag waarom hij niet eerder en fundamenteler kritiek heeft uitgeoefend op de Sovjet-Unie en de positie van De Groot noch waarom hij niet naar voren heeft gebracht dat De CPN in de oorlog een opportunistische constructie was. Hij wilde heel lang niet onder ogen zien dat de Russische communisten hun eigen machtsposities op het oog hadden. Hij voerde weliswaar aan dat hij de kameraden die hij eerder de weg had gewezen, niet wilde teleurstellen. Ontbrak het hem aan moed? Wat was eigenlijk zijn opvatting van ‘waarheid’?
In de biografie wil ik Bakker als ‘mens van vlees en bloed’ verbeelden, en moet ik een antwoord geven op zulke vragen. In het vooronderzoek heb ik dergelijke vragen aan Bakker zelf voorgelegd. Daarbij kreeg ik uit Bakkers persoonlijk archief materiaal van voor 1944, waaronder briefwisselingen met vrienden en vriendinnen, die een beeld geven van zijn denken als jongeman. Ook sprak ik met Bakkers vrouw, met zijn zuster en met de vijf kinderen (en hun partners) over het gezin, Bakkers vaderschap en zijn opvattingen. Ik achterhaalde Bakkers kant van de correspondentie met de sociaaldemocraat Gerrit Klein en de liberaal Max Weisglas. Er berusten veel brieven van Bakker bij het IISG, en ik interview Kamerleden en bewindslieden, en tal van vrienden en kameraden. Met behulp van dit materiaal kan ik de persoon van Bakker, te beginnen bij deel 1, diepgang geven. In de gesprekken zelf kon hij geen antwoord meer geven op dringende kwesties, maar soms had hij dat al wel gedaan in de persoonlijke correspondenties die hij voor mij ontsloot, en die hij niet had afgestaan aan het IISG.
-
Beeld en geluid.
In een bibliografie van de CPN, De communistische erfenis, hebben Gerrit Voerman en Margreet Schrevel veel beeldend materiaal bijeengebracht (IISG, 1997). Bert Hogenkamp, toenmalig hoofd research van het Audiovisueel Archief, schrijft: “Wie er bijvoorbeeld achter wil komen waarom M. Bakker zo’n geliefd spreker was, kan niet om de tv-uitzendingen heen.” Met de uitgever ben ik overeengekomen dat ik een DVD aan het boek toevoeg met een selectie van audiovisueel materiaal, geluidsbanden, affiches en politieke prenten. Door het bezien van de beelden kan de kijker het beeld controleren, dat ik in de biografie zal oproepen. Voor de lezer onder de vijftig jaar, is deze toevoeging een pure noodzaak.
De biograaf is Leo Molenaar. In de CPN was ik voorzitter van de afdeling Delft (1974), lid van het partijbestuur (1980) en onbezoldigd lid van het Dagelijks Bestuur (1984-1989). Ik was in dat laatste bestuur verantwoordelijk voor het vredeswerk (KKN; de volkspetitie) en samen met Ton van Hoek en Herman Meijer voor de samenwerking tussen PPR, PSP, CPN en EVP, die leidde tot één Kamerfractie (1989) en tot de fusie in GroenLinks (1991). Ik kwam Bakker tegen in het partijbestuur, zat met hem in commissies over de statuten en het partijprogramma (1981-1984), en ik volgde hem op als hoofdredacteur van het maandblad Politiek en Cultuur (1986).
Ik heb enkele malen intensief bemoeienis met hem gehad. De eerste keer betrof het zijn reactie op een lang essay over de Russische bioloog Trofim D. Lysenko, dat ik in 1981 had geschreven voor het driemaandelijkse blad Komma. Daarin zette ik op basis van de ervaringen met de Lysenko-Affaire uiteen waarom de CPN moest worden gebaseerd op een politiek programma, en niet op een wereldbeschouwing. Bakker feliciteerde me destijds met dat artikel, en gebruikte een stukje ervan voor een eigen argumentatie over ‘stalinisme’ in zijn autobiografische Wissels (1983). Hij ging het jaar erop akkoord met mijn voorstel een serie van vier artikelen te schrijven voor Politiek en Cultuur, waarin ik probeerde ‘de partij’ uit te leggen waarom begrippen zoals ‘marxisme-leninisme’ of ‘dictatuur van het proletariaat’ voorgoed hadden afgedaan, en er een nieuw politiek programma nodig was (1982-1983).
Medio 2004 vroeg ik Bakker om medewerking aan deze biografie. Hij had daaraan geen behoefte, maar verzoende zich op den duur met het denkbeeld. Vijf jaar lang hebben we tien keer per jaar een gesprek gehad, waarvan ik gebruik maak in mijn teksten.
Het schrijven van de biografie impliceert een reflectie op mijn eigen politieke keuzen, en het vereist een gepaste wisselwerking tussen distantie en betrokkenheid. Dat stelt hoge eisen aan de samenstelling van een begeleidingsgroep. Een eerste kring van mensen die tot speciale taak heeft om onvolgroeide denkbeelden en teksten weg te wieden, bestaat uit familieleden en vrienden: socioloog Bert Kanters die bij de Industriebond NVV heeft gewerkt, San Verschuuren, planoloog, Rieme Wouters, cultureel antropoloog en echtgenote en Joost Molenaar, zoon, politicoloog en planoloog. Is de gecorrigeerde tekst langs hen gekomen, dan gaat die naar een ‘tweede kring’ van deskundige meelezers die bestaat uit politicoloog Meindert Fennema en schrijver Ger Verrips, beiden kenners van de CPN, Bakkers dochter Marisca Milikowski, psychologe, en uitgever Joop IJisberg van Pegasus die het CPN-archief bij het IISG beheert. Deze begeleiding van de vier ‘delen’ heeft steeds plaats via persoonlijke gesprekken over de concepten. Vervolgens gaat de tekst naar een ‘derde kring’ van mensen die deskundig zijn in het specifieke onderwerp dat in een van de vier tijdvakken aan de orde is. Iemand die voor ‘een deel’ wordt gevraagd, is meteen klaar. Deze intensieve vorm van begeleiding heeft nu gefunctioneerd in twee ‘delen’, de periodes tot 1945 en tot 1958, en wordt volgend jaar voortgezet.
Interviews met collega’s en bewindslieden zoals Van Thijn, Dolman, Terlouw, Andriessen, Van Leeuwen, Jorritsma, De Jong, Van Kemenade, Stemerdink, Van der Spek, Van Agt, Wiegel, Aantjes, Lubbers, moeten een beeld geven van wat zijn collega’s van de politicus én de mens Bakker vinden. Ook de communistische collega’s en medewerkers van de Kamer zoals Gijs Schreuders, Ina Brouwer, Marius Ernsting, Evelien Eshuis, André de Leeuw, Gerard Blees en Marianne Braun wil ik daarnaar vragen, evenals Bakkers vrienden in de partij, uit zijn jeugd of in familiekring. Voor veel interviews zal ik tevoren publicaties van en over de gesprekspartners lezen, die het vraaggesprek meer reliëf kunnen geven.
De Handelingen, notulen van commissieverslagen, de bijdragen van en over Bakker in Politiek en Cultuur en De Waarheid, zijn bronnen. Een aantal te selecteren onderwerpen moet nader worden bestudeerd op basis van andere, zo veelzijdig mogelijke bronnen. Ik zal de medewerking van het Instituut voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen vragen, evenals die van het Biografie Instituut in Groningen. Ik bestudeer de oude en de recente literatuur over de CPN van auteurs zoals Jan Willem Stutje, Gerrit Voerman, Meindert Fennema, Dick Engelen, Igor Cornelissen, Arthur Stam, Susan Legêne, Ger Verrips, Jolanda Withuis en Ger Harmsen, en zal, indien nog mogelijk, met hen van gedachten wisselen.
Ik heb toestemming het CPN-archief in te zien in het Internationaal Instituut van Sociale Geschiedschrijving (IISG), in de eerste plaats dat van Bakker. Ger Verrips gaf toestemming om zijn CPN-archief in het IISG door te nemen. Van Gerrit Voerman kreeg ik een beeld van de contacten van de CPSU met de CPN van na de oorlog. Ik mocht van onderzoeker Cees Wiebes archiefmateriaal over de CPN uit Amerikaanse bronnen doornemen, zoals de intelligence die toen vanuit de Haagse VS-ambassade is verstuurd. Van de briefwisselingen met Ger Klein en Max Weisglas kreeg ik van hun weduwen Bakkers kant van de correspondentie. Van Bakker zelf kreeg ik een meter privémateriaal ter inzage, en van dochter Marisca de correspondentie met haar vader.
Bij de BVD zal een omvangrijk Bakkerarchief liggen, dat ik probeer te raadplegen. Bij de CIA, bij Amerikaanse departementen of in de Sovjetarchieven kan relevant materiaal zitten. Er zijn archieven van de Nederlandse Vredesraad en de Wereldvredesraad, van de NBAS-Zaandam en van het ANJV. In de Zaanse archieven zoek ik naar materiaal over vader C.C. Bakker, om het rode Zaandam van de jonge Bakker beter te kunnen schetsen.
Het oral history project vormt tevens een aanvullende speurtocht naar archief- en bronnenmateriaal. Al werkend zal er heel wat te voorschijn komen.
Van 1968 tot 2007 was ik leraar scheikunde. Bovendien kon ik op aanbeveling van Ger Harmsen in 1989 als historicus promoveren bij Piet de Rooij en Albert Kersten op De geschiedenis van het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers (1994). Daarna schreef ik de biografie van de astrofysicus, flamingant, didacticus en socialist Marcel Minnaert, De rok van het universum (2003), daarbij ondersteund door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, de Utrechtse Universiteit en het Pieter Zeemanfonds. Ten behoeve van de afronding van beide publicaties stelde de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) mij een jaar lang vrij van mijn leraarschap; twee keer een hoofdprijs.
Het boek over de astrofysicus Marcel Minnaert werd in 2004 genomineerd als beste wetenschapsboek van 2003 (NWO), kwam op de short list van vijf, en werd nummer twee. Het is uitgebreid en waarderend besproken in tal van Nederlandse en Vlaamse kranten en bladen. Het NWO-juryrapport van mei 2004 was de troostprijs: “Hij was een zondagskind en een belofte. Hij groeide uit tot flamingant, communist en fameus astrofysicus. Voor De rok van het universum heeft Leo Molenaar het leven van de veelzijdige en intrigerende Marcel Minnaert tot in detail uitgeplozen. De bij vlagen bijna encyclopedische biografie over deze grote geleerde uit de twintigste eeuw is tevens een monument voor de menselijkheid van wetenschappers. Een zo geïnteresseerde biograaf als Molenaar wenst de jury eigenlijk iedereen toe!”
Het boek werd in 2005 gerekend tot de eerste duizend Nederlandstalige boeken, vanaf de Middeleeuwen, die bij de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren (DBNL) ontsloten moesten worden voor lezing op de computer. Inmiddels is dit al weer een anachronisme. Het boek over Minnaert is uiteraard een welkome voorbereiding geweest op mijn werk aan Bakker.
Ik publiceer de laatste jaren essays over wat ik ‘de eerroof van Erasmus’ noem, en heb ook als eindredacteur een serie uitgaven op mijn naam van het Erasmiaans Gymnasium, steeds met eigen bijdragen.
Eerste periode: december 2009 tot en met december 2010, twaalf maanden.
Verkennend onderzoek in publicaties, bronnen en mondelinge overlevering. Verzamelen van archiefmateriaal. Maken van een nadere opzet, en een selectie van materiaal. Kiezen en vragen van de begeleiders. Verzamelen van audiovisueel materiaal.
Tweede periode: januari 2011 tot en met oktober 2012.
Schrijven van de concepten van de vier delen. Restant van het verkennend onderzoek. Keuze uit het audiovisueel materiaal en opzet van de DVD met de hulp van Bert Hogenkamp. Reacties verwerken van de ‘kringen’ van meelezers.
Ik had een scherp werkschema voor elk deel op mijn website, dat in het afgelopen jaar gecrasht is. Uiteindelijk deed ik vier maanden over deel 1 (1923-1945), en zelfs acht (!) maanden over het uitzoeken van de precieze gebeurtenissen van de jaren vijftig (1945-1958). Ik heb de indruk dat die periode tussen 1949 en 1958 uitzonderlijk tijdrovend was. Als ik het deel over het Kamerwerk op zes maanden zet, en het deel na 1982 op vier maanden, dan loopt deze periode tot en met oktober 2012.
Derde periode: november 2012 tot mei 2013, zes maanden.
Schrijven van de biografie. Voorleggen van de concepttekst aan enkele ‘meelezers’ van het hele boek. Verwerken van de kritiek. Definitieve opzet van de DVD, en werk aan de realisering.

